Joan Cornellà

Gisteren bracht ik met mijn vrouw en dochter een bezoek aan een kleine kunstgalerij hier in Seoul, want er was een tentoonstelling van de Spaanse kunstenaar Joan Cornellà die ik bewonder om zijn sardonische genie. Het was een zonnige dag en de galerij was bomvol ijverig fotograferende Koreaanse bezoekers en een enkele buitenlander die in het Amerikaans iets over de grensoverschrijdende afbeeldingen mompelde.

Onze dochter Miru van vijf keek haar ogen uit en was vooral gefascineerd van de beenloze terrorist die als surfboard werd gebruikt, de smeltende kauwgomgezichten en de moordenaar die eerst een oude vrouw doodschiet, vervolgens haar gezicht bruin verft en vriendelijk bedankt wordt door de politie die denkt dat de dode wel een crimineel geweest zou zijn. Die laatste begreep mijn dochter nog niet, maar wij wel. En dat is het hele punt bij Cornellà. Het feit dat wij bij de gruwelijkheden op zijn doek direct begrijpen wat er aan de hand is geeft ons te denken. Het is een artistiek concept dat perfect werkt in onze tijd, want het is kort en het schokkeert. Punt.

In de metro terug naar huis zag ik iemand met een krant. Er stond een paginagrote advertentie in over Expo 2030 te Busan. Hoe zou de wereld er tegen die tijd uitzien? Ik verwacht dat er in de komende twaalf jaar meer verandert dan in de afgelopen twaalf jaar. In het afgelopen dodecennium is het internet tot rijpheid gekomen door de ontwikkeling van sociale netwerken en de blockchain. De jaren die nu gaan volgen zullen draaien om de consequenties van het internet voor de samenleving en de techniek. Steeds snellere manieren om kapitaal te concentreren op steeds excentriekere projecten en een ‘terugkoppeling’ van sociale media naar de ‘echte’ wereld, die anno 2018 nog onafhankelijk van elkaar te lijken bestaan. Hoe de Expo 2030 eruit gaat zien in de havenstad Busan? Geen idee. Misschien staat de stad tegen die tijd half onder water, misschien worden we geserveerd door robots, misschien heeft de nanotechnologie de wereld fundamenteel veranderd.

Verbeelding. Wat moet ik er nog over zeggen. Sorry, ik lig er even uit. Ik ben even niet helder. En het is allemaal een spel hoor, laten we dat niet vergeten. Puur blijven en authentiek, dat is beter dan je er met schoonschrijverij gemakkelijk vanaf maken. Authentiek: ik schrijf dit liggend op mijn bed, luisterend naar opzwepende jazz en koffie drinkend. Het is zondagavond, maandagochtend wordt deze column gepubliceerd. Hij gaat over verbeelding. Absurde geweldsfantasieën en toekomstfantasieën kunnen betere mensen van ons maken. Of misschien ook niet. Laten we daar niet over moraliseren.

Flattr this!

Joan Cornellà werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Advertenties

Rijkdom

Op een steenworp afstand van mijn residentie bevindt zich een eethuisje, waar mijn zes kokkinnen 24 uur per dag eenvoudige, doch voedzame maaltijden voor mij, mijn gezin en mijn gasten toebereiden. Ik beschik over meerdere gezellige woonkamers waar mijn personeel op ieder uur van de dag koffie en taart serveert. Naar mijn badhuis is het ongeveer een kwartier lopen en ook daar kan ik onafgebroken terecht. Het is open wanneer ik dat wil, ik kan er altijd gebruik van maken wanneer ik mijn creditcard aan een vriendelijke medewerker overhandig. Als het ergens geregistreerd zou staan als mijn eigendom, zou dat voor mijn gevoel weinig verschil maken. Met andere woorden: ik ben de koning te rijk!

Ja maar, gelukkig denkt niet iedereen er zo over, hoor ik de kritiek uit realpolitische gelederen al opzwellen. Gelukkig zijn er nog mensen die gewoon ergens de volledige controle over willen hebben, want dat betekent dat ze er ook de verantwoordelijkheid voor nemen. Stel je voor dat iedereen er maar op los fantaseert en voelt alsof de wereld van hem is. Het zou tot idiote conflicten leiden, mensen die met elkaar op de vuist gaan omdat anderen hun eigendom betreden. Jouw rare fantasietje, mijnheer Choi, gaat alleen op in de bubbel van overvloed waarin jij leeft. Zodra de eerste tekenen der schaarste zichtbaar worden, moeten er broodrijen worden gevormd en met een hongerige maag fantaseert het niet zo lekker dat de “bakkerij van jou is”. Kijk maar naar Cuba, waar mensen niets dan weg willen, juist nu onder de nieuwe president Miguel Díaz-Canel Bermúdez. Dat staat zelfs in de linkse New York Times.

En om de vraag gewoon te stellen: Is het ethisch verantwoord om je steenrijk te voelen, zonder het te zijn?

Waarom dan toch deze onzin? Omdat die subjectieve overvloed fijn is. Ze hoeft niet direct met ja-maren in het narratief van de schaarste te worden vertaald. Als je je rijk kunt voelen zonder het te zijn dan is daar helemaal niks mis mee. Ja, het is ‘revolutionair’ want neemt je motivatie weg om echt materieel rijk te worden, dat de overheersende ambitie moet zijn voor een werkend kapitalisme. Het schetst een heel ander beeld van succes en van het goede leven. Maar laten we daar tenminste over praten. PVVD’ers vinden het slappe hap en langharig gewauwel dat met wortel en tak moet worden uitgeroeid, maar zullen nooit toegeven dat ze tegen de vrijheid van verbeelding zijn.

En om de vraag gewoon te stellen: Is het ethisch verantwoord om je steenrijk te voelen, zonder het te zijn?

Flattr this!

Rijkdom werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Zo kennen we elkaar: tien facebookvrienden in het echt

Het volgende artikel was niet interessant genoeg voor de traditionele media. Het is op deze plek gepubliceerd omdat ik het eventueel geïnteresseerde lezers niet wil onthouden.

We weten allemaal hoe er in de traditionele media over social media wordt geschreven. Er kleeft een stigma van oppervlakkigheid aan. Het gangbare idee is dat we ons online mooier doen voorkomen dan we zijn en we elkaar gek en depressief maken door de eindeloze stroom aan positieve berichten. Onlineactiviteit wordt geassocieerd met dierlijke en puberale instincten. Er werd met geen woord gerept over zelfreflectie, poëtische observaties, politiek-filosofische beschouwingen, wetenschappelijke vragen – dingen die ik dagelijks op Facebook tegenkom.

Onderzoek naar het gebruik van sociale media gaat meestal uit van de vraag hoe het iets toevoegt aan bestaande vriendschappen, omdat dit het scenario is waarvoor Facebook is gecreëerd. Het is iets heel anders om mensen die je anders nooit zou tegenkomen via Facebook te leren kennen. En vervolgens op basis van de interacties online een vriendschap op te bouwen.

Facebook is voor mij, woonachtig te Seoel, Zuid-Korea, het belangrijkste venster op de Nederlandse samenleving waarin ik ben opgegroeid. Ik behoor tot een zeer kleine groep (3% volgens onderzoek in de VS) die de meerderheid van zijn facebookvrienden niet ‘in het echt’ kent. Ik heb 5000 connecties op het platform, maar beschouw hooguit een paar honderd daarvan als betekenisvolle vriendschappen en rond de twintig als ‘goede vrienden’. Omdat ik het gevoel had dat die negatieve artikelen over sociale media niet het hele verhaal vertellen, besloot ik om zelf een persoonlijk experiment te doen.

Ik was deze winter een maand in Nederland om de eerste verjaardag te vieren van een neefje dat ik nog nooit in het echt had gezien (hij zit ook niet op Facebook). Omdat ik nieuwsgierig was naar het ‘echte’ leven van mijn beste online-vrienden besloot ik om een fiets te lenen en een tiental van hen op te zoeken. Ik wilde aantonen dat de wederzijdse intuïtie over elkaars persoon juist was. Het werden tien prachtige gesprekken. Tien bijzondere verhalen. Tien bevestigingen van de persoonlijkheden die ik me had voorgesteld. Dit bleek, toen ik het later vanuit mijn ‘veilige’ online ‘bubble’ aan hen vroeg, in alle gevallen ook wederzijds.

 

Eerste indrukken

In het sociale verkeer zijn eerste indrukken belangrijk. We zenden elkaar een rijkdom aan signalen op basis waarvan we elkaar categoriseren. Kleding, houding, oogopslag, geur, stemgeluid. Al deze informatie ontbrak toen ik mijn tien online-vrienden heb leren kennen. Betekent dat, dat we op Facebook minder vooringenomen zijn wanneer we iemand leren kennen, of juist niet, omdat we iemand noodgedwongen afrekenen op onbenullige criteria zoals een profielfoto of een gekke formulering? Mijn idee is dat we op social media veel gemakkelijker met elkaar over complexe onderwerpen communiceren. En door die complexe communicatie slaan we eerste indrukken over en ontdekken we direct meer relevante kenmerken. De online ‘eerste indruk’ geeft direct relevante informatie over iemands karakter.

Ik had in Amsterdam met een schrijfster afgesproken omdat onze schrijfstijl bijzonder veel op elkaar leek. We zouden elkaar beslist veel te vertellen hebben. Toen de ontbrekende details zoals stemgeluid waren ingevuld spraken we op dezelfde manier met elkaar als we dat online deden. We spraken over lullige commentaren van uitgevers en het streven naar erkenning, over kinderen opvoeden, sociale ongemakkelijkheid, schrijfdiscipline. In mijn beleving waren haar humor en haar temperament hetzelfde als online, hoewel het natuurlijk ‘echter’ aanvoelt wanneer je tegenover elkaar zit. Of wanneer er een paar glazen bier op tafel staan.
In Utrecht ontmoette ik na een nacht doorfietsen een man van mijn leeftijd. Ik had geen idee van zijn omstandigheden. Wat ik wel wist was dat hij een goed gevoel voor humor had, pienter was en niet zo snel op z’n pik getrapt, en dat werd bevestigd. Uitrustend op een matras in zijn rommelige stulpje zei ik dat het fascinerend was, hoe goed we elkaar kenden van een serie gesprekken op het internet.

 

Eenzaamheid

Social media kan voor mensen die niet vaak anderen fysiek ontmoeten ontzettend veel betekenen. Op mijn tocht ontmoette ik een man met pleinvrees, die je dus niet zo makkelijk op straat zou tegenkomen. Ik kende hem als excentrieke dichter wiens experimentele poëzie ik zeer waardeer maar kon me nauwelijks een voorstelling maken van zijn leefsituatie. Zijn hartelijke begroeting in een heerlijke zolderwoning in Den Bosch was hartverwarmend. We spraken onder het genot van bier en borrelnoten over filosofie en poëzie. Ik bewonderde zijn uitgebreide boekenkast vol Celan, Lyotard, Heidegger, en Pound. Het klikte zo goed dat ik me opnieuw afvroeg hoe die intuïtie tot stand komt, die ons heeft doen besluiten om elkaar in het echt te ontmoeten.

Een andere keer logeerde ik bij een vriendin die een zware vorm van COPD heeft en om die reden slecht mobiel is. Ik had haar leren kennen omdat ze al jarenlang een van mijn trouwste lezers is. Ik had me een volslagen andere voorstelling gemaakt bij haar fysieke verschijning. Nadat we een kwartiertje bij haar thuis aan de keukentafel hadden zitten praten was de nieuwe informatie (zuurstoftank, tragische geschiedenissen waar je op Facebook niet mee te koop loopt) geïntegreerd in het beeld dat ik van haar had en zag ik nog steeds de persoon voor me die ik online had leren kennen. Net zo slim, dezelfde humor en hetzelfde temperament.

 

Hokjesgeest

Wanneer je de uiterlijke kenmerken hebt van een minderheidsgroep, is dat voor vluchtige waarnemers de kern van je identiteit. In de ‘echte’ wereld leren mensen daar doorheen te kijken en komen erachter dat iemand bijvoorbeeld helemaal geen ‘typische lesbiënne’ is. Online werkt dit mechanisme heel anders omdat je exact zoveel van je uiterlijk (je ‘avatar’) kan prijsgeven als je zelf wilt. Je identiteit krijg je toegeschreven aan de hand van indrukken, en die heb je online helemaal zelf in de hand. Dit zorgt voor radicale gelijkheid, een fenomeen dat zo vreemd is dat we ons er niet van bewust zijn.
Een voorbeeld van een online persoonlijkheid die ik niet eerst associeerde met de minderheidsgroep waartoe ze behoort is een geweldige transvrouw in de buurt van Rotterdam. Ik had met haar onder het genot van een goede joint en maaltijdsoep een fantastisch gesprek over Joyce, Heidegger, Wittgenstein, boeddhisme en kabbalistiek. In mijn normale bestaan zou ik haar nooit zijn tegengekomen, maar online was er na een tijdje over en weer reageren, grappen maken, dezelfde intuïtie ontstaan als met mijn andere online vrienden.

Een week daarvoor zat ik bij iemand in een keurig huis aan een keurige keukentafel terwijl ik eigenlijk een soort rommelig zolderatelier had verwacht vanwege de persoonsverwarring met een excentrieke schilderes die ik ook op Facebook ken. De leefsituatie, die volgens de heersende overtuiging in mijn jeugd “toch wel iets zegt” maakt geen donder meer uit. Op sociale media leren we elkaar met een beetje moeite echt kennen, zonder afgeleid te worden door de associaties die we hebben bij iemands omstandigheden. Zoals een van mijn vrienden zei, we kunnen vaak sneller in iemands ziel kijken dan bij de meeste vrienden uit het ‘echte’ leven (ik zet het tussen aanhalingstekens omdat het zou kunnen dat hele onderscheid over een jaar of tien is achterhaald).

Politiek

Sociale media hebben de reputatie dat ze hokjesdenken en ‘bubbels’ in de hand werken. Dit is gemakkelijk te illustreren aan de hand van de politieke tweedelingen die zo kenmerkend zijn voor onze tijd. In een Amerikaanse enquête gaf eenderde van de ondervraagden aan het op Facebook weleens over politiek te hebben. Mijn ervaring op het Nederlandse Facebook is dat er online heftig en verbitterd wordt gestreden. Wat merk je daarvan in het echt? Hoewel er altijd kleine meningsverschillen zijn, hadden twee van de vrienden die ik bezocht vermoedelijk een politieke voorkeur die zich niet met de mijne liet verenigen. We hadden daar online nooit over gesproken (daar ging het over de dichtkunst). In het echt deerde dit ook niet want we wisten het handig en elegant te omzeilen. We spraken over poëzie en muziek, cultuurgeschiedenis en kunstprojecten. Natuurlijk waren we oud en wijs genoeg om onze wederzijdse genegenheid van de borreltafel te vegen en te verzanden in politieke bekvechterij. We dronken bier of witte wijn en hadden elkaar meer dan genoeg te vertellen.
Wanneer de politieke gezindheid wel op elkaar aansluit, zoals tijdens mijn ontmoetingen met mede-auteurs van een website waar ik af en toe voor schrijf, waren de gesprekken in het echt openhartiger en vollediger dan online, die zich meestal ontvouwen in de commentaren op opiniemakers (de meeste Nederlandse opiniemakers zitten natuurlijk ook op Facebook). Ik heb goede en leerzame gesprekken gehad over uiteenlopende en controversiële thema’s zoals de Europese Unie of de Armeense genocide. Alles was bespreekbaar en onze conversaties waren van het begin tot het eind respectvol. Zijn er dan helemaal geen structurele problemen, zolang je allebei maar een feilloze intuïtie hebt?

 

Door één deur

Waar ik onvermijdelijk tegenaan liep was een ontmoeting met iemand die een hekel had aan een ándere bekende van me. Ik had daar vanuit mijn flat in Zuid-Korea geen idee van. Ik noemde de naam van die vriend, waarop ik lijdend het oordeel moest incasseren dat het ‘ontzettende lul’ was en overging op een ander onderwerp. Dit hou je op het internet natuurlijk langer vol dan in het echt, waar de dramatische ontknoping op z’n laatst komt op feestjes waarop beide bekenden aanwezig zijn. Situaties dus waar negeren of ‘blocken’ niet werken, en die ik inderdaad niet vaak hoop mee te maken.
Ik kende ooit twee filosofieprofessoren die letterlijk niet met elkaar door een deur konden, maar wel moesten. De een stond dan knorrig met z’n handen over elkaar naast de deurpost van een collegezaal te wachten terwijl de ander naar binnen trad. Op het internet kunnen dit soort pijnlijke momenten geheel worden vermeden. De generatie van ‘digital natives’ zal zich er geen voorstelling meer van kunnen maken hoe het is om in een ruimte te verkeren met iemand die ze een klootzak vinden. Wanneer dat dan toch gebeurt zouden ze gewoon neutraal glimlachen alsof het een pizzabezorger betreft. Tenminste, dat is vermoedelijk wat ik zelf zal doen als de Facebookers die mij geblokkeerd hebben plotseling voor mijn neus zouden staan. Op den duur zal de moraal van Facebook ook doordringen tot ons gedrag in het ‘echte’ leven.

Terug thuis en weer online

Ik vroeg me natuurlijk ook af of de online interactie anders is nadat we elkaar in levende lijve hebben gezien. Toen ik weer goed en wel was teruggekeerd naar mijn stulpje in Seoul, werd het contact niet intensiever. Het waren tien goede vrienden en dat zijn ze nog steeds. Ik ervaar wel een intiemer contact en reageer anders omdat ik nu een beter beeld heb van wie ze in ‘het echt’ zijn. Hoewel een vriendschap pas echt groeit als je samen iets meemaakt, het liefst een gevaar overwint, hebben de gesprekken onder vier ogen ook iets toegevoegd.

Van de vrienden die ik in het echt heb ontmoet had ik een vrij nauwkeurige indruk van 1) hun humor (vooral aan de hand van grappige reacties op dingen die andere delen), 2) hun temperament (regelmatige aanwezigheid, hoe snel iemand kwaad wordt in een discussie, bereidheid mee te denken, tonen van solidariteit), 3) hun intelligentie (dit ligt natuurlijk gevoelig, maar naar mijn ervaring kun je redelijk goed inschatten hoe intelligent iemand is aan de hand van interacties op sociale media), 4) hun politieke overtuigingen (dit is het punt waar verschillen het minste problemen gaven, omdat ze zonder al te veel moeite genegeerd konden worden). We kunnen elkaars persoonlijkheid dus goed leren kennen via sociale media. Wanneer de wederzijdse intuïtie er is dat het in het echt ook zal klikken, is het altijd een goed idee om bij elkaar op de koffie te gaan.

Zo kennen we elkaar: tien facebookvrienden in het echt werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Spiritualiteit

Deze keer een gastbijdrage van Henk Beukering, die ik wilde redden van de vergetelheid der blauwe duimschroef.


Spiritualiteit is collectief pathologisch narcisme.

“Ik mag er zijn zoals ik ben”.

Persoonlijke groei. Dat gaat altijd over de ik, die wil groeien. Waarhéén, denk ik dan? Wil je groeien, zodat je ook bij de boodschappen op de hoogste plank bij AH kan? Wil je groeien naar een staat waarin je jezelf eindelijk wel belangrijk voelt? Het verschil uitmaakt? Bijzonder bent?

Je ziet het ook op de werkvloer; iedereen wil belangrijk zijn, gewoon omdat ik ik ben, zeggen ze dan. Ze verdienen dat. En halen hun neus op voor gewoon hard werken om je geld te verdienen.

Iedereen is speciaal geworden. Je mag namelijk álles zijn wat je maar wil. Vind je moeder zijn maar een boel werk? Dan ga je jezelf persoonlijk ontwikkelen. Want alleen moeder zijn, dat is ook weer zowat.

De liefde, ook zoiets. Iedereen “verdient beter” omdat je zelf zo fucking bijzonder bent. En als dat betekent dat je dus de ene na de andere man (vrouw) aan je kinderen voorstelt, op weg naar een nóg betere man (of vrouw) – want dan ben je nóg bijzonderder, dan is dat uiteraard vooral Grote Liefde, en niet heel erg onrustig voor je kinderen.

Elke zin begint met “ik”, en de allermooiste is natuurlijk:

“ik ben ik”.

En geen oordelen hè? Sterker nog, in hun oordeelvrij zijn beoordelen ze vooral zichzélf niet meer, welk schadelijk gedrag ze ook vertonen – als vader, als echtgenoot, als moeder, als collega. Ze zijn zichzelf, of ze nu op verjaardagen in de woonkamer van hun schoonmoeder gaan zitten kakken (“ik volg mijn hart”), hun erotische geluk eigenlijk net wat belangrijker vinden dan hun rol als moeder (“ik volg mijn hart” )…. Als je jezelf maar kan zijn. Spirituele onmiddellijke behoeftenbevrediging en gedrag dat we er vroeger bij kleuters al uitsloegen. Je kent ze wel die kleuters, die bij de kassa stampvoetend snoep éisen

Geen: “ik ben een goede moeder, of “ik ben een goede monteur”, of “ik ben een goede echtgenoot”, “ik ben een arbeider”… nee: “IK ben IK”

Waarmee je dus eigenlijk niks bent. Leegte. Verlicht zijn is dus eigenlijk als mens failliet gaan, en je leegte vieren als hoger bewustzijn.

Nou ja, je bent natuurlijk wel iets:
een egocentrische spirituele narcist.
Maar dat bekt niet lekker.

En het is een oordeel. So be it.

Spiritualiteit werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Dinsdagcolumn

Voor het eerst sinds een jaar heb ik, volgens mijn eigen berekeningen, gisteren mijn maandagcolumn gemist. Vanmorgen leek het er even op dat onze rakettenman Kim Jong-Un dat ter ore is gekomen, want we werden wakker van het oorverdovende geluid van overvliegende straaljagers, langer dan gewoonlijk in deze contreien. What is that noise, zei mijn dochter Miru, die het gewend is in dit soort situaties in het Engels te reageren. Een paar Koreanen keken pal omhoog, telefoon aan het oor. Maar ik had al lang door dat er niets aan de hand was want het luchtalarm bleef uit. Wat had ik me ook ingebeeld! Natuurlijk vergaat de wereld niet wanneer ik mijn wekelijkse boutade op dinsdag in plaats van maandag aan het internet toevertrouw.

Columnistengrootheid Arthur van Amerongen, in wiens gunst ik mij hier op opzichtige wijze tracht te manoevreren, heeft de overstap ook gemaakt. Zijn Algarviaanse appèl bezorgt de lezertjes in de polder in plaats van manic mondays nu vette dinsdagen.

Nog even over die straaljagers. Als Stormy Don nou eens had besloten ook de chemische wapens en aanverwante kwalijkheden van het communistiese regime du nord te bombarderen, zou dat niet, nadat de rookpluimen van verontwaardigde experts internationaal recht (oftewel: krantenlezers) zijn opgetrokken, good riddance zijn? Trump als voorspelbare olifant in de ‘china shop’. Zoals je vroeger MAD had, mutually assured destruction, zo kun je er anno 2018 vergif op innemen dat je chemische wapenarsenaal door de oranje pee-pee-man op een riedel tomahawks wordt getrakteerd.

Natuurlijk is dat naïef. Het is allemaal ingecalculeerd, vooropgezet en doorwrocht en er hangt een walm van hypocriet opportunisme omheen. Voormalige FBI-baas Comey noemde Trump moreel ongeschikt voor het presidentschap. Vanwege het liegen. Ik weet het niet. Saringas wordt door de waarheid niet onschadelijk en in absurde tijden gelden absurde zeden.

Ik blijf in ieder geval gewoon op de maandag schrijven. Dan weten mijn beide lezers tenminste, waar ze aan toe zijn.

Dinsdagcolumn werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Zijn prinsesjes schoon?

Miru,

ik heb tijdens jouw opvoeding listen ingezet. Wanneer je niet wilde luisteren toen het tijd was om onder de douche te gaan, heb ik gepoogd je middels cognitieve dissonatie op andere gedachten te brengen. Ofwel je te mindfucken, zoals de volksmond zegt.

Je wil zoals de meeste meisjes graag een prinsesje zijn en verandert mijn overhemden graag in de cape van Anna of Elsa van Frozen. Je vindt prinsesjes mooi. Dus ik dacht: aha, daar heb ik je.
“Miru, zijn prinsesjes schoon?”
Ik zie je nadenken. Je wilt niet twijfelen aan de onberispelijke persoonlijke hygiëne van Anna, Elsa cs. omdat dit als afvalligheid uitgelegd zou kunnen worden. Aan de andere kant weet je dat ik je dan beetneem met een syllogisme:

1) Alle prinsesjes zijn schoon.
2) Miru wil een prinsje zijn.
3) Miru moet schoon zijn. Dus Miru moet onder de douche.

Ik had je uitgelegd wat een syllogisme is. Je weet wie die slimme meneer Aristoteles is. Het schoolvoorbeeld over de sterfelijkheid van Socrates vond je verdrietig, maar je begrijpt de troost van het besef dat wij wetmatigheden kunnen kennen die ons zullen overleven. Meer troost kan de wiskunde niet bieden, niet op de basisschool, niet in Princeton.

Je geeft uiteindelijk toe. Zelfs de oneindige fantasie van een vijfjarige is niet bestand tegen de wetten van de logica. Tevreden zet ik je onder de douche. Ik zou het op de spits hebben kunnen drijven door te beweren dat de prinsesjes van Frozen met ijswater douchen, en Miru’s ambitie om Elsa te worden dus alleen onder de koude kraan verwezenlijkt kan worden, maar dat laat ik achterwege. Logica-onderwijs moet voor een vijfjarige vooral een warme aangelegenheid blijven,

Papa

Zijn prinsesjes schoon? werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Verhalenvertellers

De observatie dat wij mensen verhalenvertellers zijn, filosofisch aangedikt of uitgedrukt in briljant proza, is een weergaloze gemeenplaats. De wereldberoemde historicus Harari met z’n Sapiens en Homo deus heeft er een goede boterham mee verdiend en het internet is een grote marktplaats van stories geworden. Heb je een goed verhaal? Mensen zullen ze je video’s liken of investeren in jouw cryptomunt.

Ik leerde van mijn collega Bronja Prázdny dat ‘urgentie’ geen vies woord is dat we uitsluitend gebruiken voor noodlijdende asielzoekers of onderbetaalde poëzierecensenten. Het is mogelijk dat een schrijver een verhaal te vertellen heeft en dat als zo dringend ervaart dat hij vergeet tussen het schrijven door naar bed te gaan. Ik benijd zulke schrijvers zeer, want mij ontbreekt het aan zo’n verhaal.

Toch gaat deze column niet over dat gebrek. Ik probeer gewoon met abstract gelul te verbloemen dat ik de afgelopen week weer niks heb meegemaakt dat de moeite van het vertellen waard is. En veel zin om het nieuws door te nemen heb ik ook niet. De doden van de gruwelijke gifgasaanval in het Syrische Douma, de doodgeschoten Palestijnse demonstranten en de slachtoffers van de Caucasische terrasrijder in Münster waren gepolitiseerd nog voor hun lijken koud waren. De verhalen worden oud, ik heb er geen zin meer in.

De overijverige komediant Lubach riep televisieminnend Nederland op om toch van Facebook af te gaan nu de privacyschandalen elkaar opvolgen en het medium zelf een pregnanter verhaal begint te worden dan wat erop wordt besproken. Mensen sturen elkaar uitnodigingen voor MeWe dat belooft het beter te doen. Maar het is een illusie dat meer ‘fun’ en betere privacy ons kunnen behoeden voor de verveling. We weten nu dat sociale media ons in staat stellen ons eigen verhaal eindeloos te herhalen, en we hebben dit gedaan tot het punt waarop het zo saai is geworden dat we verlangen naar een geheel ander verhaal. En omdat we liever niet onze eigen vooroordelen corrigeren komt het goed uit wanneer dit verhaal over het medium van Facebook zelf gaat. Marshal McLuhan lässt grüßen.

Ik kan niet anders dan verhalen vertellen. Wanneer het die verhalen aan onderlinge consistentie en onderliggende motivatie ontbreekt leidt dat tot gratuite, zinledige maandagmiddagobservaties. Maar dat heb ik liever dan alles wat ik lees in te passen in het linkse of rechtse verhaal, zoals de zeloten op Twitter dat doen. Ziezo, weer een paar honderd woorden geschreven zonder iets te zeggen. Tot de volgende week!

Verhalenvertellers werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Een immoreel beroep?

Een van de onvolprezen vrijheden in onze steeds meer ondergewaardeerde en ondergraven verzorgingsstaat is dat het ons vrij staat, ons eigen beroep te kiezen. Als je gek bent op computers word je IT’er, als je graag boert word je agrariër net als je vader, als je graag de werkzaamheden van anderen regelt word je manager. En als je helemaal niets lucratiefs leuk vindt slijt je je bestaan met baantjes en zelfverwijt.

Ik heb me jammer genoeg nooit ergens lang genoeg voor geïnteresseerd om te denken “dat zou een mooi beroep voor me kunnen zijn”. Ik heb het mensen naast me wel horen zeggen, op de verschillende educatieve instellingen die ik heb bezocht. “Oh wat vind ik dit leuk! Dit wil ik altijd blijven doen! Ik wil aan deze faculteit verbonden zijn als professor!” Met een smoel nog blijer dan die van Thierry Baudet na de winst van een paar zeteltjes in de Amsterdamse gemeenteraad.

Ik kon me geen enkele voorstelling maken van mezelf ‘in een beroep’ en na twee studies in 2003 heb ik nooit officieel niets meer gedaan. Baantjes. Dingen die niet te verenigen zijn met het ‘goede leven’ volgens Aristoteles. Kutwerk. Bij tijd en wijle belast mij de vrees dat het een pad waar je nauwelijks meer vanaf raakt. Daarom mijn waarschuwing aan jongere lezers: als je geen concreet beeld hebt van wat je wilt worden, verspil dan geen geld aan een studie maar ga eerst uitgebreid jezelf ontdekken. Ga reizen, ga elkaar versieren, ga leven.

Mijn vrije beroepskeuze? Ik schrijf op m’n veertigste een vrolijk satireboek en hermetische poëzie die ik zelf meestal niet begrijp. Ik vermaak me prima, begrijp me niet verkeerd. Soms denk ik dat mijn levenswijze immoreel is omdat ik niet braaf doe waar vraag naar is (zoals IT-systeembeheer, bejaardenverzorging, SEO, belastingadvies). Ik herinner me dat ik ooit m’n visitekaartje gaf aan een Arschloch in Berlin, waarop de man zei “Das ist kein Beruf, sondern eine Berufung.” Hij gaf me het kaartje terug met een vies gezicht, alsof er poep aan kleefde. In mijn dromen heb ik de man meerdere keren een bloedneus geslagen; in het echt knikte ik droop met gebogen hoofd af.

De grap is dat het hele kapitalistische spel draait om het creëren van vraag. De slimme ondernemer laat iedereen denken dat hij in een vraag voorziet die er altijd al is geweest, terwijl hij hem toch zelf heeft gecreëerd. Ach, ik lul ook maar wat op deze Tweede Paasdag en Wereldautismedag. Ik had ook over de onlusten in Gaza kunnen schrijven maar ik had daar geen zin in. Ik schrijf hier toch gewoon lekker waar ik zin in heb.

Een immoreel beroep? werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org