Vertaling: Her Kind van Anne Sexton

Voor de gedichtenvertaalwedstrijd die Jac Naber of Facebook organiseert vertaalde ik een poosje geleden het gedicht “Her Kind” van Anne Sexton. Voor de volledigheid publiceer ik deze vertaling, nu de wedstrijd gelopen is, integraal op dit blog:

* *

Ik ben zo’n vrouw geweest.

Ik ben uitgegaan, een bezeten feeks
door de zwarte luchten, moediger in de nacht;
dromend over het kwaad vloog ik over een reeks
eendere huizen, licht en zacht:
zo alleen, twaalfvingerig, zonder geest.
Zo’n vrouw is niet wat je van een vrouw verwacht.
Ik ben zo’n vrouw geweest.

Ik vond mijn weg naar de warme grotten in het bos
vol braadpannen, kasten, planken, allemaal
spullen, zijde gespannen op een klos;
ik kookte voor de wormen en de elven een avondmaal:
al zeurend hield ik van de orde het meest.
Zo’n vrouw wordt niet begrepen of verlost.
Ik ben zo’n vrouw geweest.

Ik heb op jouw kar gereden, drijver
met blote armen gezwaaid naar de dorpen,
op de langst verlichte routes overleefd, vol ijver
waren jouw vlammen aan mijn dijen geworpen
en hebben mijn krakende ribben jouw wielen gevreesd.
Zo’n vrouw schaamt zich niet om te sterven.
Ik ben zo’n vrouw geweest.

 

Vertaling: Her Kind van Anne Sexton werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Advertenties

Een nuttige eigenschap

Ik heb de nuttige, en nutty, eigenschap aangeleerd dat ik al mijn verleden produceerde voor nihil kan verklaren, zonder er depressief van te worden. Ik heb geen Herzblut-roman of Lebensgedicht dat ik met me meedraag in de hoop het ooit te kunnen slijten. Ik rommel wat aan, vrolijk als een labrador die kwispelend rond het huis van de taal dartelt en af en toe een drol van betekenis bakt, zonder de ogen van de ‘experts’ te zien die hem vanachter de gordijnen meesmuilend gadeslaan.

Dat lijkt me voor ons creatieven, mensen die zo nodig ‘freischaffend’ bezig willen zijn, een cruciale eigenschap! Schrijf die mokerzinnen, dat tranentrekkende halfrijm en die door merg en been gaande parabel gewoon op om er de volgende dag deste harder de draak mee te steken. Als je denkt dat je niet alleen vandaag, maar tot in alle eeuwigheid bent wat je schrijft, dan gaat ‘t ‘m niet worden, zoals de volksmond zegt. Hoeveel mensen blijven zich identificeren met woorden die ze ooit voelden op een lyrische dag, blijven zich schamen wanneer deze woorden niet de verwachte erkenning ten deel valt?

Ik vergeet die dichtwerkjes onmiddellijk, na een week kan ik ze teruglezen als een buitenstaander, een kritische editor die dan meestal een spelfout ontdekt of de flow van het gedicht middelmatig vindt. En als het me een keer wel bevalt, dan laat ik het nog een jaar liggen, waarna ik ontdek dat het triviaal geklungel is dat nooit in steen gebeiteld zal worden. Het is alsof de woorden nooit echt geldigheid hebben, vervluchtigen en het spoor dat ze achterlaten in de lucht, om mezelf eens ongegeneerd romantisch uit te drukken, is de semiotiek van mijn vrijheid.

Hier in Seoul schrijf ik graag in convenient stores en dergelijke mondaine plekken. Dat is goedkoop en installeert de dichter in het hart van de samenleving. Gewoon, aan een vrolijk gekleurd tafeltje met een kopje koffie uit de automaat. Schrijvend over liefde, dood, gerechtigheid, tijd, schuld, vriendschap, schoonheid, troost. Zo wil ik me de dichter voorstellen. Daar kwam ook die dagdroom vandaan van de opvouwbare dichter, die je kunt uitklappen op openbare plekken, in supermarkten, bij benzinestations, op het kerkplein.

Bezig zijn met schrijven, jarenlang, met gematigd resultaat – ik probeer me te onttrekken aan de gedachte dat ik me ervoor moet schamen. Ik kán het niet, het is een schande. Ik ben als adolescent voor mislukking en schande uitgemaakt en zal dit zeer voor altijd met me meedragen. Maar juist dat brengt een mens steeds terug naar de poëzie. Met andere woorden, de vraag of poëzie, die hoe geëngageerd ze ook is altijd beperkt is tot reflectie, geen fysieke monden voedt, geen fysieke wonden heelt, moreel verantwoord is. Het is een vraag waarmee ik worstel, of, om het uit te drukken in een taal waar ik me groen en geel aan erger, een vraag ‘die ik in mijn nieuwe bundel onderzoek’.

Laat die nieuwe bundel nou eens uitkomen op 1 februari. Dan ben ik hem op 2 februari al vergeten. En dat heeft, afgezien van het grappige effect dat dit zal sorteren op voorleesavonden van 3, 4, en 5 februari, een geruststellend effect op de ziel.

Een nuttige eigenschap werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Blackfacepalm

Nog even over Zw. Piet, de donkere slavendrijver die het Nederlandsche volk rond Sinterklaas opzweept tot een ieder jaar groteskere dans om een racistisch stereotype, een festijn dat anno domini 2017 in het Friese Dokkum plaatsvindt, waar in 754 de ijverige gristelijke missionaris Bonifatius op 80-jarige leeftijd werd vermoord, omdat de Friesen hun Germaanse traditie graag behielden en liever niet gekerstend wilden worden.

Het jaarlijke deugcircus is in volle gang. Nu woon ik niet om de hoek maar ik heb de foto’s van de ME-busjes gezien (popcorn!). Wat een hoop gelul om niks denk ik dan, terwijl mensen in de Méditerranée verdrinken, in Madagascar de Pest en in Libië de slavenhandel weer opbloeit. Wat dat betreft ben ik het met de razende oorlogsreporter A. Karskens en Neerlands geilste schrijver A. van Amerongen eens.

Desalniettemin. Wanneer je van buitenaf naar het gedoe kijkt snap je ook wel dat de eigenlijke idiotie ligt in het feit dat Nederland, de ooit zo progressieve polder met zijn tolerantie van soft drug en harde porno nu internationaal een stumper is met zijn kwaadaardige volharding van het blackfacen, een racistisch sterotype (dit is niet hetzelfde als racisme, de verwarring van die twee contamineert de discussie). Dit is het perspectief van een linkse Amerikaan (dat is iemand die ongeveer zo links als Thierry Baudet). Wtf? Hebben ze geen andere tradities over there? Koekhappen, kazen smelten, haring happen, elkaar omhoog takelen in een pekelharingvat langs de charmant voorover neigende trapgevels van Old Amsterdam, die er al stonden toen New York nog door indianen, pardon door indigenous peoples werd bewoond? In Holland hebben ze nog blackface? In 2017? Really?

Welnu, beste lezertjes, de kwestie wordt ieder jaar eenvoudiger. Het fanatisme waarmee voor- en tegenstanders, Pieters en Nieters in Dokkum tegenover elkaar staan, en en passant de fragiele rechtsstaat aan een stresstest onderwerpen, begint te lijken op religieuze ijver. En hoe denken we over religie? Dat doe je maar privé, dat zeggen we ook tegen de moslims.

Wacht. Wat gebeurt daar? Ik heb het standpunt van de Nieters gereduceerd tot iets waar de meeste Pieters zich bij zullen aansluiten en dat overgoten met een licht gezouten sausje van humor en een klein stukje wrange gemalen citroenschil. Als mensen bij het lezen van dit soort epistels “wacht eens even” zeggen, heb ik mijn doel bereikt.

Ik heb er namelijk een sport van gemaakt om zowel links als rechts te lullen (en, wanneer de redactie van Elsevier én Joop meeleest, ook links en rechts te vullen). Ik bedoel niet dat ik mijn bek afwisselend in beide richtingen scheeftrek in een poging om lollig te doen, maar dat ik het lolbroekidioom van neocynisch rechts vrij goed beheers, naast mijn alma mater-moedertaal natuurlijk, het keurige academische David van Reybroeck-links. Maar wat schiet ik ermee op, behalve dat ik op Facebook vrienden bij de vleet uit beide vijvers heb gevist? Antwoord: dat ik soms de kans krijg om een luchtbrug tussen de discoursen te slaan. Wacht, dat is nog iets te braaf-links geformuleerd. Antwoord, gecorrigeerd: dat ik lekker kan lopen fokken op feestboek en dan maakt het niks uit bij welke fokking groep je hoort als je maar voor je eigen denkt.

Voorwaar, ik zeg u, het is geen triviale uitdaging. Ik moet alles uit de kast halen wat retorica betreft om mensen aan beide kanten van de ‘aisle’ aan het denken te zetten en dus de mogelijkheid te vergroten, dat ze hun standpunt aanscherpen. En die laatste zin moet in de shredder. Facepalm.

Blackfacepalm werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Poëzie is een daad (Campertparodie)

Poëzie is een daad
van erkenning. Ik erken
dat ik lees, dat ik niet alleen lees.

Poëzie heeft geen toekomst, denkend
aan de huur, aan de electriciteitsrekening,
aan jou als je koud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn pen, aarzelend soms,
over het papier dat daarom vraagt.

Koenraad was postbode, maar
genas zichzelf door o.a. te dichten
120 verzen over zijn lief: dat is poëzie.

Of neem ondergetekende. Stukgeslagen
op de rotsen is hij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt hij zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de woekering.
Tenslotte wint het kapitaal, jazeker,

maar geld is slechts een symptoom van erkenning
nadat de poëzie al is gedoofd.
Geld is een vervoering.

Parodie op: Remco Campert
Uit: Het huis waarin ik woonde
De Bezige Bij. 1955

Afbeelding Wikimedia

Poëzie is een daad (Campertparodie) werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Ik ben niet bang!

“Het is aartsdonker. Kleurloze vlammen likken het fundament van de duizelingwekkend hoge toren en een leger donkere zombiespinnen stormt over de krakende trappen naar boven. Een gevaarlijke wolf gromt en steekt huilend zijn snuit in de gitzwarte nacht. Twee dinosaurussen komen achter je aan en je voelt hun stinkende adem in je nek dus je moet helemaal naar boven rennen en daar spring je van de toren af. Je valt sneller en sneller richting de zwarte zee van ziedend pek waarin stalen piranha’s kindjes tot op het bot afkluiven en…”
-“Papa, ik ben niet bang!”

Miru grinnikt terwijl ik mijn relaas steeds angstaanjagender probeer te maken in een wanhopige poging ons spelletje te winnen. Het heeft haar in haar fantasiewereld tot een onverschrokken heldin gemaakt, maar in het echt kroop ze vandaag weg op de bank voor een klein hondje toen we pasfoto’s gingen maken bij een hippe fotograaf.

Een beetje bang zijn is heel slim en heel bang zijn is een beetje dom.

Het helpen overwinnen van angsten hoort bij mijn excentrieke manier van opvoeden. Ooit ben ik begonnen met een koe en een konijn. Inmiddels heb ik de hele Chinese dierenriem inclusief draak afgewerkt, wat nog heel wat moeite heeft gekost. Maar ook hoogtevrees en duisternis komen aan bod. Claustrofobie en pleinvrees. Smetvrees en ga zo maar door. Ik zou er zo een cursus over kunnen geven als iemand een zaaltje binnen de Grachtengordel voor me kan regelen, een paar hippe kindjes en een juridisch adviseur die me kan behoeden voor een metoo omdat fallofobie natuurlijk ook niet onbesproken moet blijven en er wat ruimte is voor een demonstratie in een witte onderbroek.

Gelukkig heeft mijn dochter door genoeg Mozartsessies tijdens de zwangerschap en niet ruziënde ouders weinig aanleg voor angst. Toen we een paar weken geleden bij invallende duisternis een berg moesten afdalen en het pad kwijtraakte, struikelde ze in tranen over het losse grind op de steile helling, maar vertelde een kwartiertje later met een mond vol rijst dat ze maar een beetje bang was. Een beetje bang zijn is heel slim en heel bang zijn is een beetje dom. De berg, een heuvel van een paar honderd meter met zandsteenformaties, binnen de stadsgrenzen van Seoul, deed zo zijn intrede in het bangmaakverhaal waar dit stuk mee begint.

Welbeschouwd kunnen we dit karwei nooit voltooien omdat er altijd een vliedende existentiële angst overblijft die ons in-de-wereld-zijn bepaalt wanneer we voor het gemak meegaan met Heidegger, de bruine intellectueel uit het Zwarte Woud. Maar het gaat me er ook helemaal niet om, de Ur-Angst uit haar te verdrijven en een soort ontvlekt meisje te produceren, want dat is meer machine dan mens. Zonder angst kunnen we ons lichaam niet ervaren, neemt u dat van mij of van de Britse filosoof Roger Scruton aan. Het gaat me om de Lebenskunst om deze oerangst toegankelijker te maken, we zouden zelfs kunnen zeggen: vertrouwder. Zodat Miru later niet met oeverloos geouwehoer over saaie clichéfobietjes in een damesblad bijdraagt aan de grijsheid van onze wereld. Zodat ze degelijke, uit de kluiten gewassen angsten ontwikkelt en een artiesteninstinct dat zich daar als een bloedzuiger op stort.

Ik ben niet bang! werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Hoe diep huist de markteconomie in onze ziel?

Hoe diep huist de markteconomie in onze ziel? Het was een willekeurige vraag die in me opborrelde tijdens een wandeling door de kille straten hier in Seoul. Waarover beschikken wij, dat afwijkt van de wetten van een markt? Het lijkt een onnozele vraag, toch houdt zij me bezig. De markt kwantificeert Waardering, en waardering is naast Rechtvaardigheid en Liefde een van de ‘Existenzialen des Mitseins’ ofwel een fenomeen dat constitutief is voor de samenleving, volgens een filosofietje dat ik in mijn vrije tijd aan het knutselen ben. Het is heel eenvoudig: ik voel me nutteloos wanneer ik officieel niets bijdraag en dit veroorzaakt, net als bij de klassieke werkloze, een onmiskenbaar schaamtegevoel.

Schaamte en Zorgen zijn natuurlijk ook Heideggeriaanse categorieën en volgens voornoemd filosofietje, waarin het Mitsein radicaler wordt gedacht dan bij de vroege Heidegger, manieren waarop we ons verhouden tot Waardering en Rechtvaardigheid. Maar wie wil dat weten?

Het schrijven is een wanhoopsdaad om te ontkomen uit het onwelriekende moeras van de schaamte, dat ik niets ‘bijdraag’. Ik trek weliswaar geen steun omdat ik met zinloze bezigheden een basisinkomen verdien, maar een mens verlangt meer, verlangt zich een deel te voelen van een sociale realiteit, verlangt Waardering. En Waardering betekent dat andere mensen ergens positief over oordelen, wat betekent ergens (monetaire) consequenties aan verbinden en niet alleen met de muis op duimpjespictogrammen klikken. Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig en het was vanzelfsprekend dat we iets moeten bijdragen aan ‘de samenleving’.
“Wat wil je later worden?” was een vraag die je als jong kind maandelijks moest beantwoorden. Je beroep definieerde je leven, oftewel: je zou zoveel bijdragen als in je vermogen lag. Het was een wereld waarin je er niet serieus voor kon kiezen om níet zoveel mogelijk bij te dragen (beunhazen, hippies, freelancers, zwervers, zigeuners waren een soort buitenaardse wezens).

Maar wat als je al het betaalde werk dat je met je vaardigheden kunt vinden zinloos vindt en dus precies genoeg werkt om je minimalistische levensstijl te bekostigen omdat je geen steun wilt trekken? Is dat immoreel? Zo iemand heeft zichzelf letterlijk vrij gevochten. Zij heeft een zee van vrije tijd en zolang de lichamelijke en geestelijke gezondheid het toelaten kan ze in die tijd kliederen, krassen, coden, schrijven – geen haan die er naar kraait. Maar ze creëert niet de hoeveelheid waarde die ze zou kunnen creëren en dat kan haar opzadelen met een pijnlijk gevoel van schaamte dat aanzwelt tot een sinister en geestdodend nihilisme.

Ik heb een PhD over ethiek geschreven (niet verzilverd, o heerlijke ironie, daar is die ‘waardering’ weer!) maar uiteraard weet ik er niks vanaf. Het is een leuk en interessant psychologisch probleem (niet blozen, er zijn wetenschappers geweest die hun eigen sperma onder de microscoop observeerden) dat natuurlijk een consequentie is van de bullshit jobs van Graeber (zie video). Zou het voorkómen van deze schaamte naast social bonding en financiële beloning, een van de redenen zijn waarom mensen bullshit jobs blijven doen? Hoe diep huist de markteconomie in onze ziel, dat we ons niet kunnen voorstellen dat iets waardevol is wanneer het niet op een forum als zodanig wordt aangeprezen?

Alles van waarde is… de oneindig verkitschte zin van Lucebert zegt precies het tegenovergestelde. En is natuurlijk flauwekul, want zodra een ‘ding’ (in de zin van Badiou) niet meer weerloos is omdat het succes heeft geboekt (d.w.z. ten koste van andere dingen) verdwijnt daardoor niet zijn waarde. Veeleer wordt die verdeeld onder de mensen en zwelt aan tot een oorverdovende bevestiging van de existentie van de maker (de artiest, de wetenschapper) die er zo lang voor lijden moest. Dus, wie zich net als ik, bij tijd en wijle overvallen voelt door een dergelijk gevoel van schaamte: jouw weerloze creaties zijn net zo waardeloos als de mijne. En net zo belangrijk om die markteconomie uit onze ziel te verdrijven.

Hoe diep huist de markteconomie in onze ziel? werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Racisme

Een man zei in een talkshow: Ik zou graag een neger willen zijn.
Ik vind hun chocoladebruine huid zo mooi. Vervolgens
begon hij over donkere chocola te vertellen en dat hij
niet van wit hield.

De handen gingen voor de monden van de bleekgezichten
in de ronde.

De man meende het echt, zoals andere mensen Japanners
benijden om hun zwarte sprookjeshaar, of Daniel Craig
om zijn smaragdblauwe ogen.

Deze man kwam uit een toekomst die vrij was
van racisme

Racisme werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Breedtegraad

Zonder er iets voor te hoeven doen trof ik een kopie van Goethe’s Italiaanse reis aan op mijn e-reader, een degelijk reisverslag geschreven in goed verzorgd Duits, waarin de auteur, die toen hij deze lievelingsreis aantrad in het Germaanse reeds een gevierd man was, nauwkeurig verslag doet van het geleidelijk veranderende landschap dat hij waarneemt vanuit zijn Postillion.

Goethe reist zuidwaarts en vertelt op iedere breedtegraad over grondsoort en vegetatie. Ja, hij vermeldt de breedtegraad zelf, is dat niet fascinerend? Voor ons is het een stuk eenvoudiger om onze breedtegraad te weten te komen; er is vast een smartphone app voor. Maar wie maalt er nog om breedtegraden, behalve een enkele traditionele wijnboer of mensen die graag Noord-Korea expert spelen (de 53e breedtegraad is de DMZ, de grens met Noord-Korea)? Wie is zich nog bewust van de grondsoort en de geologie van zijn omgeving wanneer hij er met een hogesnelheidstrein doorheen raast of, waarschijnlijker, er meer of minder comfortabel overheen vliegt?

Dit moet geen ‘Luddite’ antitechnologiestukje worden. Ik betaal mezelf tenslotte om iets ludieks of inspirerends schrijven voor deze maandagmiddag. Wat zouden wij in plaats van onze breedtegraad (die door overdaad van informatie niet meer interessant is) kunnen vermelden wanneer we een online dagboek van onze reis bijhouden? Ik heb geen idee en denk net als u waarschijnlijk, beste lezer, dat het er eerder om gaat wat we weglaten. Welke foto’s nemen we niet wanneer we in navolging van Goethe de Brennerpas oversteken en ons op weg begeven naar Torino, Milano, Genova, Venezia, Firenze, Roma, Napoli?

Gelauwerde reizigers maken louter zwartwitfoto’s van hele specifieke onderwerpen. In Italië: kathedralen bijvoorbeeld, of de mensen die op zo’n mooie wijze ouder worden. De grote Nederlandse dichter Ilja Pfeijffer publiceerde een mooie fotoserie over zijn geliefde Genua, waar hij ooit op Goetheaanse wijze arriveerde, maar nooit meer wegging.

Goethelezers moesten jarenlang wachten (van 1786 tot 1816) voordat ze zijn reisverslag konden lezen; wij hebben instant access tot prachtige ‘content’ (een onwoord dat ik wil afschaffen; ik gebruik het omdat ik niet onbegrepen achter wil blijven). Alles. Gewoon effing alles wat we willen horen, zien en lezen staat ons met een paar muiskliks ter beschikking. De kunst is om met de schone schijn van oriëntatie door dat gigantische aanbod te grasduinen, om een idee te hebben van de breedtegraden die we doorkruisen.

En het drama van onze begaafde samenleving: dat het sorteren van die overvloed aan informatie, het selecteren, filteren, hiërarchisch organiseren, reduceren, een inherent sociale activiteit is en geen commersjele functiebeschrijving. Zodra we het commercialiseren is het niet echt meer, werkt het niet meer. Mensen voelen dat aan. Een belangrijke functie, die best wat professioneler zou mogen, blijft onbereikbaar voor de commercie. Ik hoop dat er genoeg mensen zijn die het subjectieve filteren net zo serieus nemen als het expanderen van de beschikbare informatie op Wikipedia.

Vico del Duca.

A post shared by Ilja Leonard Pfeijffer (@iljaleonardpfeijffer) on

//platform.instagram.com/en_US/embeds.js

Breedtegraad werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

#Metoo

De hype is nu zo ongeveer opgehouden, neem ik aan, dus het is een uitstekend moment om verslag uit te brengen van mijn onverwerkte traumata en de psychische kwetsuren die ik vijftien lange maanden heb verzwegen. Ik ben het afgelopen jaar meervoudig in mijn mond verkracht. Een zwerende, ontstoken kies heeft me verstoken van wat men met een zweefwoord ‘inspiratie’ noemt en wat we met twee poten in de modder met goesting betitelen. Wanneer de kiespijn mijn gebit penetreert kost het moeite om nog aan iets anders te denken, en dat andere zal altijd doortekend blijven van de agonie.

Voorbij leken de dagen waarop ik in een pittoreske volière mocht kwinkeleren met een kopje espresso en een schrijfijzer binnen handbereik. Een mild opdringerig stemmetje in mijn hoofd dat grappen en grollen over het wereldnieuws aaneenrijgt, en dat ik met een soeverein gebaar het zwijgen opleg. Verse brioches en overal meisjes met zachte borsten die zo lief naar me glimlachen dat het goed is voor weer drie pagina’s expressionistisch proza waar naijverige uitgevertjes met elkaar om bekvechten.

Ik ook, lieve mensen. Ik heb erover nagedacht of ik mijn vermaledijde kiespijn wel als orale verkrachter mocht betitelen. TeamJelle zal het vast niet chic vinden, want met orale verkrachting maak je geen grapjes. Ofwel je houdt het voor je, ofwel je komt er met een stijf gezicht over vertellen op de nationale televisie. Nu heb ik, zoals de meeste van mijn lezers genoegzaam bekend is, schijt aan de nationale televisie en de kwezelaars die daar geregeld op verschijnen. Uit deze scatologische instelling heb ik de moed geput om op deze plek uit de kast te komen.

Maar niet iedereen zal deze stap willen of durven zetten. Veel tijdgenoten zullen met problemen zitten waarvan ze niet zeker weten of het zal worden erkend als geweeklaag dan wel geridiculiseerd als gefemel dat probeert mee te liften op de hype van metoo. Bij die problemen gaat het om meer dan seksuele intimidatie. We hebben de discussie over depressie gevoerd toen Zwagerman, dat zijn herinnering tot een zege moge zijn, er een eind aan maakte. Godzijdank wordt dat nu serieus genomen en is het ad nauseam bespreekbaar.

Er zijn ontzettend veel mensen die ergens mee zitten, maar er geen ruchtbaarheid aan willen geven uit angst dat ze worden uitgelachen of dat hun probleem door de meeste mensen niet als ernstig genoeg wordt gezien. Rugpijn, tinnitus, zere knieën, liefdesverdriet, een kapotte computer, een doodgeboren kindje, pesten op het werk, teveel gluten, een burenruzie.

Treed ermee in de openbaarheid, schuif aan bij een Matthijs, en je zult zien hoe het oplucht en als neveneffect komt er entertainende televisie van die de massa wat kan afleiden van de wereldproblemen.

#Metoo werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Wie heeft de stoutste droom?

Ik droomde dat Tariq Ramadan zich met een enorme voorbinddildo prepareerde om Jelle Brandt Corstius te lijf te gaan en hem jarenlange trauma’s te bezorgen. Hij waande zich alleen met zijn geilheid, want hem ontgingen de priemende en alziende ogen van Charlotte Mutsaers, die de scène gadesloeg met een camera in de aanslag, in de hoop dat ze de kinderporno zou kunnen verkopen aan Kevin Spacey, wiens kaartenhuis was ingestort. Ik leed zelf aan een progressieve vorm van diphallia maar kwam penissen te kort om Harvey Weinstein bij te benen, met wie ik weer eens op pad was na een avond doorzakken met Roman Polanski en Woody Allen.

Het publiek zit likkebaardend voor de televisie en grinnikt impotent. De geniale schilder Peter Klashorst heeft helemaal gelijk: er wordt niet fatsoenlijk geneukt in de polder. De lage landen vallen langzaam ten prooi aan het bijtende zuur van de decadentie, dat op den duur alles oplost.

Wie heeft de stoutste droom? werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org