Wat orakelde de jongen nog meer? Het volgende korte, dialectische gedicht bijvoorbeeld:

kennie dichte
moenie zeike
niemand ken
ze gelijke

Het gedicht heft aan met een eenregelige jeremiade over het eigen gebrek aan poëtische uitdrukkingskracht, om direct daarna deze cynische zelfverfoeilijking met rauwe straattaal in de zeik te zetten. Er is niets om over te jammeren, luidt het dichterlijke antwoord dat zichzelf in de laatste regels van deze vrije Haiku nader verklaart. Met een verwijzing naar het feit dat ieder mens uniek is, wordt de angst bedwelmd om voor anderen onder te doen, de angst om subjectief te falen. Daarbij is het gedichtje zelf bij voorbaat gefaald vanwege de performatieve paradox: als de auteur niet kan dichten, dan zijn deze woorden niet meer dan vlekken. Weten deze woorden echter, en daar lijkt de auteur op de hopen, zich van de regels los te maken en zich vrij van hoofd tot hoofd bewegen, dan is daarmee gelijk de auteur genihileerd. Die kon immers niet dichten. Het lijkt dus een poging om terug te keren naar de anonieme lyriek van de Middeleeuwen.

Het zou ook een uitspraak Johan Cruijff kunnen zijn geweest, in een lyrische opwelling.

Sottise voor Gerrit Komrij, versie 1.0

ik rijm erg rot

Poëzie maken van de kakelende weerbarstigheden
waartussen we naakt geboren zijn
de vleugelslag van de ongenaakbare tijd
laten weerklinken in een ruwe woordendeken

De trillingen tussen de mensen haarfijn
met scherpe, heerlijk geurende zuren
etsen in het vlakke groene Calvinisme
achter de ongenaakbare dijken

met grof geschut en bliksemse moed
de vos uit de Achterhoek
“ik rijm erg rot”
heerlijk, mijn tenen raken uit de krul

de wereld moet naar dichters’ woorden heten
niet naar het keuvelen en de leut
naar de woorden von Gerrit bijvoorbeeld
naar Villa Pauca waar cynisch fruit
niet gaat rotten voor de nazomer