Kennis

Mijn goede vrienden, geboren voor 1980 komen steeds vaker online. Sommigen van hen worden gedreven door de noodzaak onder het meedogenloze juk van de vrije markt zichzelf te verkopen. Anderen voelden een morele plicht om te ageren tegen de politieke ontwikkelingen. Vroeger waren deze vrienden onafhankelijke, vrije geesten, geesten die zichzelf ontwikkelden langs ongeziene paden, onopgemerkt door het oog van de massa en de zware algoritmes die onze datastromen verwerken.

Vroeger vonden zij hun weg in een eindeloze bibliotheek, lazen ze boeken op aanraden van hun vrienden of andere boeken. Ze sponnen gedreven een uniek web van kennis. Op feestjes vertelden ze anekdotes over de Russische revolutie, over oude museumcollecties, over Shakespeare, over de oorsprong van het schrift, over microbiologie en bladluis. Tegen de hoge wanden van hun 19e-eeuwse studentenwoningen rustten honderden gelezen boeken; ze citeerden uit het hoofd citaten van Heinrich Heine en Hermann von Helmholtz. Hun kennis was geen abstract gegeven, geen oneindig reproduceerbaar conglomeraat van feiten in een digitaal vacuüm. De kennis werd gecultiveerd, er was tijd om haar te voorzien van eindeloze kanttekeningen, kritische voetnoten en kwinkslagen in de marge. De kennis hoefde niet, en kon nog niet, worden gestaafd aan het volledige actuele weten van de wereld, en juist door deze technologische beperking kon het gedijen.

Wat is de mondigheid van een individu nog waard wanneer niet langer zijn vrienden bepalen wat relevant voor hem is?

In 2017 worden zij opgeslokt door het enige kennisweb dat er nog toe doet. Hun excentrieke verhalen is de magie ontnomen, die ervoor zorgde dat ze ons uitzicht gaven op een alternatief begrijpen van de wereld. Het zijn nu verhalen voor de liefhebber, verdoemd tot een obscure uithoek van het web, wat volgens de waan van de dag hun gebrek aan relevantie bewijst. Daar staan zij, de laatsten de Mohikanen, en hebben de keuze tussen passief toekijken hoe hun Bildungs-idealen worden uitgehold, of zelf hun verhalen blijven cultiveren. Door moedig te blijven volhouden dat wat relevant is niet wordt bepaald door de tirannie van algoritmes, maar door kleine sociale groepen, mensen die deel uitmaken van elkaars leven.

Wat is de mondigheid van een individu nog waard wanneer niet langer zijn vrienden bepalen wat relevant voor hem is, maar dit wordt berekend door algoritmes, die zijn volgende wens en gedachte steeds beter kunnen voorspellen? Het maakt niet uit of die algoritmes worden ingezet door winstbeluste multinationals of goedbedoelende regeringen: het individu wordt traceerbaar, voorspelbaar en dus manipuleerbaar. Maar we moeten niet naïef zijn en denken dat we eenvoudig aan de macht van die algoritmes kunnen ontkomen. Onze smartphones zullen precies dat tonen wat we zelf, in ons diepste wezen, relevant vinden. Hun berekeningen zullen adembenemend adequaat zijn.

Een enkeling kan proberen zich eraan te onttrekken. Hij kan op straat gaan dansen, maar de omstanders zullen geen aandacht aan hem schenken omdat ze, verdiept in hun smartphones, de muziek niet kunnen horen. Het enige dat hij heeft bereikt is de vervolmaking van zijn onmondigheid.

Er is geen oplossing. De oude kenniscultuur komt niet terug. Het wezen van de mens bevindt zich, om het melodramatisch uit te drukken, in een transformatiefase. Mensen die jong zijn in 2050 zullen ons niet meer kunnen begrijpen, zoals Middeleeuwers ons niet zouden begrijpen. Het verstandigste dat we kunnen doen is deze transformatie verlangzamen. En dat is wel eenvoudig: beperk je tot een fysieke vriendenkring, geloof je vrienden op hun woord, en dwing jezelf om relevant te vinden wat je vrienden bezighoudt, niet wat bovenaan je timeline staat. Zorg ervoor dat je er zo lang mogelijk toe blijft doen (dat je het gevoel hebt, ertoe te doen, wat op hetzelfde neerkomt), zodat de nieuwe mensensoort alle tijd heeft om geboren te worden.

Kennis werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Advertenties

Digital detox

Van vier tot zestien maart ben ik er niet. ‘Er’, dat is zoals Martin Heidegger al aangaf in zijn tijdloze analyse van het Zijnde, het Internet. Ik ben niet op het Internet. Het is derhalve voor mijn lezers onmogelijk te achterhalen of ik er ‘ben’, dat wil zeggen of het ‘er’ van mijn ‘zijn’ de zijnshorizon niet heeft overschreden.

Met het ‘er’ van mijn ‘zijn’ was het de laatste tijd namelijk nogal bedenkelijk gesteld. Ik las tot diep in de nacht langdradige artikelen van het scherm. Ik beantwoordde e-mails meestal binnen dertig seconden en zombiede geestloos door de manifestaties van mijn 4.500 Facebookvrienden. In een forum op dat schitterende platform plaatste ik bijvoorbeeld een opmerking over prioriteiten. Onschuldig, behalve als je in een praatgroep voor LGBTQRSTUVWXYZ komt vertellen dat islamitische clitorisectomie een groter probleem is dan de ‘washroom problems’ waarmee preoperatieve transgenders te kampen hebben. Dan zijn de rapen gaar. En je maakt het helemaal bont als je er ook nog bij zegt dat je vindt dat Milo Yiannopoulos gelijk heeft dat humor ‘moet kunnen’. Dan word je met pek en veren van hun pagina getrapt, een ervaring rijker. Sorry lief regenboogvolkje, maar humor zullen jullie er nooit uitslaan. En als je gaat zeuren dat humor geen ‘objectifying male-dominated language’ mag gebruiken, dan krijg je de volle laag. Want ik zal altijd de grap verkiezen boven het zwaard en het chagrijn:

Trump on transsexuals: “Life is like LGBT. You never know what you gonna grab”

Het infuus van digitale communicatie moet er even uit. Niet dat alles me emotioneel te veel werd (integendeel!) of dat ik de aanloop van de verkiezingen zo graag wil missen (dat is mooi meegenomen) maar omdat ik verschijnselen van information overflow, tranende ogen, slechte eetlust en nachtrust, blauwlicht-intoxicatie, ADHD, angstvalligheid, oppervlakkigheid en verslaving begon te vertonen.

Nu voelt het alsof ik samen met Jesse Klaver een 100-daagse marathon-Vipassana ga doen op een onbewoond eiland.

Aldus smeedde ik het plan om een dikke week zonder digitale gadgets in Thailand te gaan zitten. “Lekker op vakantie!” roepen de burgertjes dan braaf, maar dat is onzin want het veronderstelt dat ik hier op mijn kamer minder ‘vacant’ ben. Hoe dan ook, het is meer dan zeven jaar geleden dat ik een hele week zonder computer heb gedaan. Ik ben ontzettend benieuwd naar de ervaring en zie er eigenlijk ook een beetje tegenop. Eigenlijk is dat absurd omdat er in mijn kindertijd nog nauwelijks computers bestonden. Nu voelt het alsof ik samen met Jesse Klaver een 100-daagse marathon-Vipassana ga doen op een onbewoond eiland.

Ik ga natuurlijk verslag uitbrengen. Er komt een praktische how-to (e-mail autoresponder, klanten vriendelijk afzeggen, communicatie etc). Ik ga bijvoorbeeld mensen die ik tegenkom vragen mijn status via Facebook of Twitter door te geven, als onderdeel van het experiment.

Digital detox werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org