Politiek

in een beetje vrije keuzeland
ligt het communisme gewoon op de schappen
in een grijze doos, maar met een prijs
waar je van opaan kunt.

het verschil tussen kritische schrijvers
in het communisme en in kapitalisme:

kritische schrijvers in het communisme willen niet ontdekt worden
kritische schrijvers in het kapitalisme willen dat juist wel

Flattr this!

Politiek werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Advertenties

Terug in Seoul

Teruggekeerd naar mijn habitat in mijn eigen leuke wijk in Seoul, overzie ik glimlachend de afgelopen maanden, waarin ik mijn m’n dochter door Nederland fietste (en daar verslag van deed op Facebook). Dankbaarheid domineert mijn stemming over die hele geschiedenis: niet veel vaders menen de vrijheid te hebben om zo’n reis met hun kind te ondernemen.

Morgen gaat Miru naar haar nieuwe kleuterschool, vandaag was ze bij de dokter die haar prikte en zei dat ze vrij klein was voor haar leeftijd. Ik at onderwijl in een van mijn favoriete noedelrestaurants waar ik een vriendelijke K-pop producer leerde kennen die mij zomaar aansprak, zoals dat hier gaat. Ik ben al in de supermarkt geweest om sinaasappelsap te komen en bij de traditionele markt die onze buurt verlevendigt. Alsof ik nooit ben weggeweest.

Vermocht ik het niet, in het verleden, de taal moeiteloos als middel in te zetten voor een relatief autonoom doel, terwijl ze zich nu als doel-op-zichzelf aan mij opdringt?

Het reizen door Nederland het Groot-Britannië heeft mijn taaie schrijversziel gestimuleerd. Ik zette mij van ‘t weekend aan het samenstellen van een bundel poëzie. Ik wil eindelijk eens iets uitgeven (na twee eerdere pogingen die jammerlijk zijn doodgelopen). Het staat garant voor een rare, maar niet geheel ongezonde, gewaarwording wanneer men, zoveel jaren nadat men een zekere academische vorming en Bildung genoot, nog altijd niet of niet meer in staat is om adequaat te formuleren wat men op zijn lever heeft. Schreef ik niet ooit opstellen over de Heideggeriaanse kijk op het kunstwerk of Voltaire en de vraag naar het kwaad? Vermocht ik het niet, in het verleden, de taal moeiteloos als middel in te zetten voor een relatief autonoom doel, terwijl ze zich nu als doel-op-zichzelf aan mij opdringt?

Ik lijd daaraan, beste lezer.

Maar neem dit leed niet te serieus. Het is een voorrecht, te mogen schrijven. Om met woorden datgene te bewerkstelligen, wat we eigenlijk aan de klanken en de kleuren moeten overlaten. Het voordeel van de woorden? Het is gemakkelijker om je in ‘t gezelschap te voelen van voorname voorgangers. Hier naast me zitten vanavond Wystan Hugh Auden, en Ana Akhmatova, tussen mijn koffiemok en het draadje van m’n koptelefoon, waarop ik Brahms hoor. Misschien is het dat inderdaad, al zullen anderen dit anders ervaren.

Ik schrijf door. “Ik heb tijd gezwendeld en / we zitten als zelden bij elkaar” lees ik in wat het manuscript moet worden. Wat ik probeer te bewerkstelligen is een soort synthese van als ‘hermetisch’ of op-zichzelf-staand gecategoriseerde poëzie zoals het werk van sadà\exposadà, en teksten die op iedere regel naar de wereld en wereldse wijsheden willen verwijzen. Het lijkt me vooralsnog een aardig streven om zo te schrijven dat het op beide manieren gelezen kan worden: als klankvondst zonder referentie naar een hors-texte en als politiek klaroengeschal.

En zo beid ik mijn tijd, de schrijverskunsten toegewijd. Ik dank u voor uw aandacht, zou de stilistisch hoge ogen gooiende Brabantse schrijver Joris van Os zeggen.

Terug in Seoul werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Ivo de Wijs over de Kark

Ik vond dit gedicht van Ivo de Wijs over seks in de katholieke kerk. Om de lezer munitie te verschaffen in zijn ludieke polemiek tegen dit molmige instituut dat uitgehold wordt door seksschandalen, citeer ik dit geslaagde vers:

HEILIGHEID EN GEILIGHEID

Kneden van geslachtsorganen
Vindt men veel bij Franciscanen
Maar ook koster en kanunnik
Doen aan misdienaarsgefrunnik
En zelfs Paters Predikheren
Houden graag het kruis in ere
De Trappistencongregatie
Doet wat meer aan penetratie
Maar de echte ruwe flenzers
Zijn gewoonlijk Cisterciënzers

Er zijn meer en meer Jezuïeten
Die het doen met acolieten
En steeds minder Minderbroeders
Die het doen met jonge moeders
Uiteraard zien Kapucijnen
Ook graag jongetjes verschijnen
Want die zijn, net als pastores
Dol op partes posteriores
Ik vergeet nog de Karthuizers:
Pure aambeienvergruizers!

Al sinds eeuwen is de kerruk

Dol op kruis – en achterwerruk

Vroeger waren er zelfs pausen

Die geweldig konden rausen

Maar nu zijn het kardinalen

Die de jurk naar boven halen

Die met hitsige diakens

Vlekken maken in de lakens

En bisschoppelijke papen

Die hun hele koor ontknapen

Ach, het is al vaak beschreven
Niets kan zoveel vreugde geven
Als de Kerk van Gerard Reve
Boven alle lof verheven
Is het Rijke Roomsche leven

Flattr this!

Ivo de Wijs over de Kark werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Als je een huis tekent, is dat echt?

Uit: Filosoferen met mijn dochter, 2019

Als je een boom tekent, is dat echt?
– Nee.

Als je een stoel tekent, is dat echt?
– Nee.

Als je een lijn tekent, is dat echt?
– Ja.

Als je een bloem tekent, is dat echt?
– Nee.

Als je een rondje tekent, is dat echt?
– Ja.

Als je een huis tekent, is dat echt?
– Nee.

Als je een vinger tekent, is dat echt?
– Nee.

Als je een tekening tekent, is die echt?
– Ja.

(Antwoorden door Miru (5))

Als je een huis tekent, is dat echt? werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Naar huis

Woensdag vliegen we terug naar Seoul. Nederland was een leuk en exotisch intermezzo, leerzaam voor Miru en leuk voor mij omdat ik de taal van m’n jeugd kon praten en begrepen worden. Ik vermoed trouwens dat ik een slecht spreker ben en betrap me regelmatig op halve zinnen, warrige begrippen, gehakkel en gehaspel. Dat is op zich geen probleem maar mensen die ‘iets willen doen’ met taal, de naakste vaardigheid waarmee we ‘iets kunnen doen’ baart het zorgen.

In Korea ben ik vrij van deze zorgen. Daar zal ik mijn minimalistische leven voortzetten, schrijven dat het een lieve lust is, lekker vegetarisch eten, in de publieke baden weken en mijn sociale leven op de waakvlam zetten, met uitzondering van mijn vaste en wisselende contacten op internet.

Voor de 40e verjaardag zou ik eigenlijk stiekem iets met een isbn-nummer willen produceren, maar mijn met zichzelf koketterende minderwaardigheidscomplex gebiedt me te zeggen dat dit te hoog gegrepen is. Het is een kwestie van, ja van wat eigenlijk? Dat idee, dat iedereen de potentie heeft om iets drukwaardigs te schrijven? Eigenlijk moeten we dat omarmen! En mot ik niet zo zeuren.

Es tut mir leid. De laatste dagen in Holland, in en rond Amsterdam, voelen raar. Ik ga terug maar waarnaartoe? Mijn lieve vrouw, dat is fijn. Maar ook een Aziatisch land dat vreemd zal blijven, waar ik de taal niet goed ken (en ik kan haar niet zo goed leren). Ik zal moeten schrijven. Schrijven voor een ver publiek, op mijn eigen niveau. Er is helemaal niks mis met middelmatigheid, alleen dat bijtende zelfbewustzijn dat je ervan ontwikkelt, dat is vervelend. En ga me nu niet vertellen dat zo’n bewustzijn de eerste stap voorbij de middelmaat is, want dat is onzin.

Het middernachtelijk uur nadert. Ik ga op één oor. Naast me droomt mijn dochter en haar dromen zijn privé. Ik wens een voor het geluk van het grootste aantal optimale distributie van maatschappelijke erkenning en natuurlijke hulpbronnen, en voorts afschaffing van de bio-industrie. Welterusten.

Flattr this!

Naar huis werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Bundelen

Wanneer je twintig jaar lang gedichten schrijft zonder dat deze ooit het daglicht van de openbaarheid hebben gezien, raak je in de ban van de gedachte, dat ze dit nooit meer zullen kunnen verdragen. Wanneer je lang geleden al op regels kauwde tot ze in jouw ogen perfect waren, maar veel later op diezelfde regels terugblikt met ontgoocheling, ja zelfs walging, dan ligt de moedeloosheid op de loer.

Dit wilde ik als jonge dichter: voor mijn woorden genomen worden, mensen (lees: meiden) om me heen die de grond kussen met hun knieën, mensen die me ononderbroken Ruhm und Ehre naar mijn kop slingeren. Ik wilde m’n ziel in de taal coderen tot een soort zip-bestand, dat handzaam was en dan door de dames kon worden uitgelezen. Blind vertrouwde ik in dezen op het oordeelsvermogen van de anderen. En zo doorprik ik het na twintig jaar. Dat blinde vertrouwen was idolatrie, verafgoding. Ik wilde geen afgod of Dichtersprins zijn, gezeteld op een troon en geliefd en aanbeden door jonge vrouwen. Ik wilde omgekeerd de vrouwen kunnen verafgoden zonder het gevaar te lopen dat ik daarbij per abuis hun sluier oplicht en ze ontmasker als biologische soortgenoten, die het net als ik ook allemaal niet weten.

Het inzicht dat het oordeelsvermogen van de anderen niet onfeilbaar is, dat je je eigen oordeelsvermogen ook moet cultiveren

Dat is de groeispurt waar ik het hier over heb. Het inzicht dat het oordeelsvermogen van de anderen niet onfeilbaar is, dat je je eigen oordeelsvermogen ook moet cultiveren, dat het een prima facie waarde heeft.

En daarom wil ik eindelijk gedichten gaan bundelen. Sterker nog: daarom wil ik eindelijk een bundel gaan componeren. Het cultiveert, het eist een plaats op, het plaatst mijn eigen oordeelsvermogen in de wereld terug.

Ondertussen luister ik naar het vioolconcert van Philip Glass, uitgevoerd door Gidon Kremer.

Flattr this!

Bundelen werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

De 36e nacht van de poëzie

Ik had mezelf beloofd, verslag te doen van de 36e nacht van de poëzie, op 29 september in Tivoli Vredenburg.

Die ochtend waren Miru en ik in de domstad gearriveerd, waar we van de stralend blauwe lucht genoten tot het tijd werd voor de poëzie. Het wemelde van de mensen in de muziektempel waar de gedichten zouden worden voorgelezen, en zij waren niet allen oud en versleten. Ook scholieren bezochten de Nacht en dat gegeven vulde mij en mijn kameraad met hoop.

We hadden 38 Euro betaald om een aantal vooraanstaande dichters ieder zeven minuten horen spreken. Een van de eerste dichters, en de eerste die ik me bij het neerschrijven van dit verslag nog heugen kan, Judith Herzberg, inmiddels grande dame, ergerde zich er terecht aan. De boodschap van haar afsluitende gedicht, dat alles en z’n tegendeel een ‘vorm van gekte is’, werd met driftige knikken geregistreerd. Wat léuk!

Wie niet bestand is tegen de vluchtigheid van het Nederlandse cultuurbedrijf, heeft bij zo’n evenement niets te zoeken. De door merg en been gaande klanken van de eerste muzikale entr’acte, Piazzolla’s Oblivion, knap geïnterpreteerd door het 17-jarige Wunderkind Noa Wildschut, waren nog niet weggestorven, of het programma moest weer dóór. Er was geen ruimte om adem te halen.

We zaten tijdens die eerste woorden en klanken van het poëziefestijn nog hoog in de zaal op klapstoelen. Later daalden we af naar waar de zitzakken lagen. Daar vlijden we ons neer en luisterden we naar de dichters. Delphine Lecompte had een sterk optreden, net als Moya de Feyter en Arno van Vlierberghe, dus met de jonge generatie Vlaamse dichters zit het wel snor. Veel heb ik er helaas niet over te melden en dat wil ik ook niet veinzen (wat is het heerlijk om een blog te schrijven met authenticiteit en niet nieuwswaarde als hoogste doel).

Bij de pathetische, maar door het welluidende Iraakse stemgeluid van Rodaan Al Galidi ontkitschte woorden “leven is mooier dan de eeuwigheid” ging er een zucht van bewondering door de zaal. Wat léuk!

En dan was er natuurlijk nog de grote Arthur Japin, die voorlas uit zijn hoogstpersoonlijke liefdesgeluk nadat hij zijn eigen dichterschap had ontkend dus ontkracht. Het stelde weinig voor wat hij te berde bracht, maar hij heeft zijn fan base en ik heb gezien hoe hij gretig voor de herentoiletten een interview gaf (ik deed niet mijn best om de toiletdeur zachtjes achter me dicht te trekken, schavuit die ik ben). Ach, het is zo makkelijk om iemand af te zeiken, zeker wanneer zij niet gespeend zijn van de symptomen van narcisme. En ik was opgestookt door Bert van Sesamstraat, als iemand begrijpt wat ik bedoel.

Radna Fabias. Potverdorie wat een krachtige podiumverschijning. “Ik ben een vrouw” droeg ze haar stem voor. “Ik ben geen dame, ik ben een vrouw”. Er stonden nog veel meer woorden in het gedicht maar die deden er voor mij niet meer toe. Ik wilde haar versieren maar bedacht op tijd dat ik getrouwd ben.

Anton Korteweg vond ik niet heel overtuigend, Tsead Bruinja (dit jaar juryvoorzitter van de Turingwedstrijd) droeg een lang gedicht in het Fries voor dat ik niet goed kon volgen omdat het toen al na tweeën was.

Ted van Lieshout, eerder op de avond, kwam met gedichten over ouders die gingen scheiden vanuit het perspectief van de kinderen en een scherp geëngageerd gedicht over kippepootjes die operatief verwijderd moesten worden omdat er geen dieren mogen sterven voor de vleesconsumptie. Ik ken Ted al jaren van Facebook maar had hem nooit horen voordragen. Hij bleek net zo’n begaafd podiumdier te zijn als Frank Starik, de eerder dit jaar overleden dichter die in 2016, toen ik ook bij de nacht was, een legendarisch optreden gaf met zijn gedicht “gras”. Van hem was het motto van de Nacht, “Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht”.

Willem Jan Otten vond ik wat tegenvallen. Willem Thies verraste met een zin als “De afspraak was dat we elkaar niet duurzaam schenden.” Paul Bogaert, die op de voetballer Messi lijkt, kon me niet echt boeien.

Arno van Vlierberghe vond ik nog te jongehonderig en studentikoos, Thomas Möhlmann schreef een schitterende ode aan diezelfde F. Starik.

In de veel te korte adempauzes werden videofragmenten getoond van eerdere edities van de Poëzienacht. Ineens zag ik beelden van Menno Wigman, die Nederland in februari heeft moeten begraven. Hij was de nauwkeurigste dichter van zijn generatie. Zijn hoofd ineens weer groot op de zeven schermen te zien was confronterend, al heb ik hem nooit bij leven mogen ontmoeten.

Er waren wat mij betreft nog drie muzikale verrassingen: Willeke Alberti die een keur aan Hollandse liedjes zong en “mag ik dan bij jou” mooier weergaf dan Claudia de Breij zelf. Miru danste voor het podium en Neerlands geliefde
volkszangeres wuifde naar het kleine meisje, terwijl ze over de glimlach van een kind zong. Wat léuk! (dit ontroerde me trouwens echt, beste lezer, maar ik houd voor de vorm de sarcastische toon vast).

Ten tweede Shirma Rouse, de Aretha Franklin tribuutzangeres met een klankkast als Jerommeke. Wat een geweldig stemgeluid, en wat kreeg ze de zaal mee. Ineens zaten de meest eenvoudige lyrics barstensvol poëzie, ja, het woordje “you” alleen was hartverwarmend wanneer het zinderend de zaal in werd geslingerd door Shirma’s spraakorgaan.

En de Amsterdam Klezmer Band, ouwe knakkers nu, maar het swingde de pan uit. Miru, die midden tussen de dansende meute lag te slapen, heb ik voor de gelegenheid van hun afsluiter aan de kant gelegd om zelf ongeremd rond te kunnen springen.

Eddy et les Vedettes vond ik weinig toevoegen aan de Franse chansons en de ‘Tallest man on earth’ vond ik heel slecht, hetgeen me het aangename gevoel geeft dat ik onafhankelijk kritisch kan zijn omdat de Zweed de hemel wordt ingeprezen. Daarmee heb ik bijna de gehele line-up besproken (behalve de door mij gemiste Benno Barnard en de naar mijn idee zwakke Gerda Blees).

Toen de zaallichten na de laatste act aangingen schuifelde iedereen braaf naar buiten. We klampten vertwijfeld nog wat dichters aan maar niets, er leek niets meer loos te zijn. Geen groep dichterlijke wildebrassen die rond een imaginaire Gerrit Komrij naar een kroeg togen, die speciaal voor hen de deuren deze nacht niet sluit, om er op barkrukken hoogdravende en doodsverachtende verzen te verkondigen, elkaar wild en poëtisch te tongzoenen in een geroezemoes van metaforen. Geen liederlijkheid, geen drinkeboers, geen Bohème, geen samenzwering om de onverbiddelijke tijd dan verdomme deze ene nacht toch een loer te draaien, geen coke, geen Deelder, geen feest.

Hoofdschuddend over de burgertruttigheid van Nederlands volk dat na een evenement wordt ontslagen uit een zaal, keren wij ook huiswaarts, om na te praten en te slapen.

Flattr this!

De 36e nacht van de poëzie werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Fietstocht door Nederland Week 2

Fietstocht door Nederland Dag 8
Familiebezoek in Groningen

Op de televisie werd toevallig de documentaire De achtste dag uigezonden, over de financiële crisis van tien jaar geleden. Indrukwekkende poriënfotografie van een zilvergrijze Wouter Bos, en mede-acteurs als Wellink, Trichet, Balkenende.

Wij werden wakker in een prinsesjeskamer tussen meerdere dunne dekentjes met hier en daar hondenhaar: heerlijk. Onze gastvrouwe Susanne Fuego maakte een lekkere dubbele Senseo (het merk kamiel choi is niet gelieerd aan het merk senseo) en we nuttigden enkele boterhammen met chocola. Ruim voor de lunch legden we de twaalf luttele kilometers naar Winsum af, door het Groningse landschap langs Adorp en Sauwerd. We stopten bij een groepje lama’s van zorgboerderij en B&B De Oude Nadorst, die Miru met belangstelling gadesloeg. Haar beertje Mini moest ook op de foto.

De Groningse fietspaden zijn prima, net als overal in Nederland. Neemt u dat aan van iemand die in Zuid-Korea woont, waar je hooguit wat recreatieve fietspaden langs waterwegen aantreft.

Als generale repetitie voor morgen, wanneer we ietsje meer gaan fietsen, zette ik à l’improviste een lied in en vroeg Miru om daar naar eigen smaak doorheen fe zingen. Dit leverde een fraai resultaat op dat haar mama Yeon Yellow-Duck Choi zeer kon bekoren.

Voordat we bij mijn oom Domien Verwer aan kwamen liet mijn kleuter zich nog fotograferen voor een kleine molen. Gewoon, omdat het kan, zegt de tijdsgeest van 2018 dan geloof ik. Mijn oom en Anne Post heetten ons van harte welkom en serveerden heerlijke broodjes. Dank jullie wel!

Er was een appelboom die geoogst kon worden. Enthousiast klommen we om beurten op de ladder en plukten vele kilo’s, een gedeelte op acrobatische wijze met Miru op mijn nek. Wat genoot ze van de momenten dat ze op de ladder mocht en papa niet de oren van z’n kop moest zeuren om deze weer te mogen beklimmen.

Des middags promeneerden we door het centrumvan Winsum, waar de vrouw van de reformwinkel (ik ben al op de gezonde tour en heb als 79er de midlifecrisis niet eens gehad) ‘vorm van uw hoofd’ herkende. Mijn oom en tante bleken er vaste klant en hoofdvormen zijn erfelijk. We vervolgden onze wandeling met drie jonge avocados en een sachet kurkuma. Miru begon haar beentjes te voelen dus we gingen terug, maar niet voordat we een veldboeket hadden samengesteld van paardebloemen, akkerdistels, haagwindes en zelfs die namen heb ik moeten googlen.

Na een gezonde vegetarische maaltijd mocht Miru de Lion King bekijken. Nu zult u zeggen: nou en? Wat is daar zo bijzonder aan? Wel: ten eerste was het een VHS-band en een mooie gelegenheid om haar het concept van terug- en doorspoelen te demonstreren. En doorspoelen moesten we omdat dit de laatste lichting VHS-banden was, dus stonden er veel reclames op om de vraag nog iets op te krikken. Precies wat we nu zien bij films op de kommersjele zenders. En ten tweede omdat ze gisteren van haar vriendje Yaron twee leeuwenkoninkjes had gekregen. Ze genoot van het simplistiese drama. De dood van papaleeuw was snel genoeg vergeten omdat Simba in de film zelf – floeps – opeens zelf manen heeft en hakuna matata chillt met Timoon en Pumba (nee Miru, niet het clowntje Bumba)

Ik bracht Miru naar bed waar ik geruisloosheid bewerkstelligde door haar te zeggen dat
Als je een beetje stout bent mag je even met de telefoon spelen.
Het was boven muisstil en ik oogstte complimentjes voor mijn naarbedbrengkunsten. Ik las nog wat geleuter in het prettige dagblad Trouw (niet gelieerd aan het merk kamiel choi) en we voerden een prettig gesprek, onder anderen over het fenomeen dat socializen, het voeren van prettige gesprekken dus, het verschil maakt tussen betaald erbieënbieën en met gesloten beurs couchsurfen.

Boven op de logeerkamer zag ik een schim wegduiken van mijn telefoon, waarop ik in een uurtje dit verslag van deze dag schreef.

Fietstocht door Nederland Dag 9
Leeuwarden cultuurhoofdstad

Een digitale thermometer langs de weg wees vandaag 30 graden aan. Heeft niks met climate change te maken, hoor ik de cynici niet roepen, die na aanslagen honend opmerken dat het niets met de islam te maken heeft.

We fietsten na een goed ontbijt en een hartelijk afscheid van Domien Verwer en Anne Post langs kleine dorpen als Garnwerd, Feerwerd, Ezinge, Oldenhove, Niehove door het stille, welriekende Groningse landschap. Ik had mijn zadel met een imbussleutel 2cm hoger gezet, en dit resulteerde in een aanzienlijk betere fietshouding. We gleden moeiteloos langs de weilanden en door de uitgestorven dorpen. Wanneer het in het leven moeilijk gaat, denkt u dan even aan die imbussleutel en de juiste beenhoek.

Loes Dissel schreef in een commentaar dat dit verslag iets weg had van Langs de oevers vande Yang-Tse. Vandaag reden we kortstondig langs de oevers van het Niehoofsterdiep en het Kommerzijlsterrijt, maar deze waterwegen bepaalden zeker niet op een elementair niveau het karakter van onze tocht. Dat vinden we denk ik eerder in de blijmoedige interactie tussen een vijfjarig meisje en haar 39-jarige verrückte vader.

Toen we in het dorpje Niehove pauzeerden omdat ik het bezoekerscentrum in een oude Groninger kerk van de stichting Oude Groninger kerken wilde bezichtigen, opperde een mevrouw dat Leeuwarden wel heel erg ver was.
Nietes, zei ik, met volwassen woorden.
De kerk en de oude zerken op het gras waren fotogeniek.
Die manende woorden van Och wat ver in de plaats van een positieve aanmoediging waren me al vaker opgevallen. Het kwam me voor dat alle Nederlanders, behalve de topsporters zijn gemaakt van peperkoek of het tenminste een fijn idee vinden dat hun buren dat zijn. Laten we daar verandering in brengen en de fysieke vermogens van onze medemens het voordeel van de twijfel geven.

Het was perfect fietsweer en bij een volgende pauze net over de provinciegrens werd ik tijdens een korte picnic overvallen door tamelijk ruw geluk. Miru leeft uiteraard ‘in het moment’, haar verwachtingen, zorgen en hoop zijn nog verrukkulijk primitief, wat evenwel betekent dat haar een andersoortig geluk ten deel moet zijn gevallen dan haar gekke papa.

We spoedden door Buitenpost en Hardegarijp, dat een saai gat bleek zonder pittoreske dorpskern met tirlantijnen en ijsjes. Miru is natuurlijk immuun voor dat soort teleurstellingen. Ze raakte niet uitgepraat over de zeeplucht van de uitgedroogde lavendelplantjes die we in de berm vonden. Weer hadden we het verschil tussen kind en volwassene speels in een beeld gevat: voor een grownup heeft zeep een lavendelgeur, en zelfs dat maar in enkele gevallen. Het kind geniet van zeepgeur in álle lavendel.

Leeuwarden is een prachtige cultuurhoofdstad. Na een obligaat kiekje voor de bronzen Mata Hari bezochten we Het Stenen Tijdperk (facebook.com/hetstenentijdperk), café en winkel voor tweedehands lego in de Kelders. Miru speelde solitair tot sluitingstijd terwijl ik poogde iets voor een nieuwe roman op papier te krijgen maar werd afgeleid door een foto van het Genovese schrijftafelarrangement van Ilja Leonard Pfeijffer.

Er bestaan meer dan 6000 talen, onderwees een oudere juffrouw mij, en er zijn 120 gebarentalen. Een Nederlandse en een Duitse dove begrijpen van elkaars taal net zo weinig als hun sprekende soortgenoten. Het Lân fan taal was onderdeel van het cultuurfestijn, en we neusden in een paviljoen. We waren net op tijd om Miru haar Koreaanse naam te laten schrijven op een stuk hout dat u vanaf morgen kunt bewonderen op het exterieur van dat moedertaalpaviljoen.

Spontaan nodigde Facebookvriend en collega dichter Ton van ‘t Hof ons uit voor een espresso met digestief. Het werd een heerlijk open gesprek over levenswandels (is dat een correct meervoud?) Afghanistan (mijn gastheer diende decennialang de luchtmacht van ons land en schreef gedichten vanuit zijn bomveilige kamer in Kandahar – en dat is, aldus Samuel Vriezen, van een heel ander kaliber dan de embedded-Militärtouristik van een Arnon Grunberg), Zuid-Korea, poëzie en bij het afscheid kon ik mijn leeslijst met ettelijke namen aanvullen, bovenal van ‘t Hof en George Oppen. Bedankt voor de prachtig uitgegeven bundel Dichter & andere dingen, een feest van conceptuele, experimentele dichtkunst, kundig ingeleid door dhr. Frank Keizer. Ik heb hem nog niet uit. Op pagina 29 trof ik deze regels uit het gedicht Chatten met Jabberwacky aan:
Niets blijft verborgen.
-Wel als je er naar op zoek gaat.

Helaas kon ik niet langer blijven omdat ik had beloofd bij een gastvrije host te verblijven, die ik via trustroots.org had opgeduikeld. Strikt genomen zou ik dus moeten schrijven “helaas wílde ik niet langer blijven”, maar dat zou de taal ontdoen van de patina der vriendelijkheid. Hoe dan ook, ik voelde me goed en dat kwam niet alleen door de geschonken elixer.

Leo van Straten is de belichaming van een perfecte gastheer. We spraken over call centers en chatbots (wie het leuk vindt probere hier op facebook Mitsuku zelf uit) en zijn aanstaande reis naar Iran. Uit Iran komen uitsluitend vriendelijke toeristen, dat vooroordeel koester ik al wat langer en het werd vandaag glansrijk bevestigd. That is the real news.

Miru leert naar schatting 3,2 keer sneller tijdens deze reis dan op school. Verkeersborden, grammatica, geografie, rekenen en empathie.
Hé waarom zit jij in een rolstoel? Vroeg ze vandaag omstreeks 18 uur aan een passant bij de buste van Piet Paaltjens.
-omdat ik niet kan lopen.
Maar jij hebt wel benen.
-maar die doen het niet.
Miru, zei haar vader, als een vogel zegt dat jij niet kan vliegen omdat je geen vleugels hebt, vind je dat dan leuk?
O, zei ze en we maakten ons uit de voeten.

Fietstocht door Nederland Dag 10
Leeuwarden, Franeker en Sexbierum

We hadden afgesproken in de Bak, een leuke koffietent in de voormalige gevangenis het Blokhuis.
Nee, ik wil niet naar de gevangenis, zei Miru. Het duurde voordat ze begreep dat de bestemming van het imposante gebouw kon zijn gewijzigd. In de Bak, waar het personaal shirts droeg met bet opschrift I’ll be Bak, en waar de koffie uitstekend zou blijken te zijn, ontmoetten we Henk Jr Rigter, een vriend uit de tijd dat we in Afrika waren. Hij zat er aanzienlijk langer dan wij (onze reden om het enorme continent te verlaten was de aantocht van mijn reisgezel, ‘made in Africa’ Miru). We spraken over de vrijheden van het freelancerbestaan. Een bakje koffie in de stad op de woensdagochtend zonder de hijgende adem van een baas in je nek, heerlijk. We spraken over schrijven voor geld en schrijven voor de eer. In de Vrij Nederland had ik net een bespreking van Harari’s 21 lessen voor de 21e eeuw gelezen: te generaliserend, te vaag, maar erudiet en leesbaar. Dat willen we natuurlijk allemaal wel, zoveel belangstelling voor onze woorden, zoveel aandachtige lezers die ons aanbidden en journaille dat het woord goeroe in de mond neemt. Nee, we doen het rustig aan, es kommt wie es kommt.

We hadden die nacht uitstekend geslapen en mijn hypochondrieklachten waren nagenoeg verdwenen. Goed zo, hoor ok mijn ideaaltypische lezer denken. Vertrouwen: niet Terlouws toustje door de brievenbus, maar een wildvreemde die jouw huissleutels bij zijn eenzame vertrek door de gleuf mikt. Het bestaat, ook in jullie stad.

We vermaakten ons die middag in de Friese hoofdstad met de exposities en installaties van het Lân fan taal. In de Prinsentuin waren aan weerszijden van de weg praat- en luisterpalen opgesteld, een voor schelden en een voor liefkozende woordjes. We voegden ons bij een dakloos ogend duo aan de kant van de lieve woorden. Miru nam haar stem telkens opnieuw op en gierde het uit toen de machine haar fragment afspeelde. Ik sprak met het duo over ouderschap, en oogstte welkome waardering voor mijn rondreisje. De mannen stelden zich voor als Perry en Ferry, een detail dat je niet verzint. Perry was donker (als dat de correcte term mag zijn) en had vroeger taekwondo gedaan. Ferry was tandeloos, droeg een neusbril en zijn armen waren gehavend, maar hij maakte een rustige indruk. Die had me niet bedrogen: na een vroege burnout, zwaar druggebruik en zes jaar op een bootje in de Friese rimboe, krabbelde hij terug en was voornemens weer te gaan studeren. Ik hou als ouwe romanticus van dat soort comebacks.

Miru en ik bestegen de scheve toren van Oldenhove, vanwaar het uitzicht over de stad niet slecht was, al was de toren met z’n 48 meter veel lager dan het lelijke Achmea gebouw van 114. Boven hielp ik drie Duitse dames met wat vertalingen can die lustigen hollandischen woordjes. Duitsers komen hier graag en de status van Europese cultuurhoofdstad werkte als een magneet. De mofrikaantjes bloeien weer, grapten de kameraden van Ferry, wanneer de eerste boten in april uit de bondsrepubliek kwamen overvaren.

Henk had ons een slaapplek in Sexbierum aangeboden, dus om een uur of half vijf reden we uit Leeuwarden weg. Prima fietsweer, lange rechte paden. Via Marssum en Dronrijp kwamen we in Franeker, waar het beroemde planetarium van Eyse Eysenga waar Erik Tjallinks me op had gewezen helaas al was gesloten. Na een kleine navigatiefout en nog 6 kilometer met een moe meisje achterop arriveerden we bij een leuk antikraakwoninkje in Sexbierum, ingebed tussen reusachtige broeikassen waar bijna alle paprika van Nederland wordt geproduceerd. Koop deze paprika. Sex, beer en bell peppers, ik zou het wel weten als reclamemaker.

Terwijl Miru kennismaakte met Shrek en Fiona zetten wij onze gesprekken voort, blij verrast dat we als licht gerijpte mannen een passie voor het schrijven deelden. En we maakten ook nog een pruimenchutney.

Fietstocht door Nederland Dag 11
Harlingen, Afsluitdijk, kop van Noord-Holland

Buienradar, het weerbericht voor mensendie feiten verkiezen boven interpretatie, liet een in de loop van de middag overtrekkend wolkensysteem zien. Tijdens het ontbijt (sterke koffie en stevig brood) opperde ik dat het een mooie gelegenheid was om Miru te laten ervaren dat ze een Hollandse meid is, zoals ze vroeger waren. Een beetje regen kan geen kwaad, davht ik en ze heeft haar poncho nog.

We vertrokken omstreeks half elf richting Harlingen en bezichtigden het stadje. Pittoresk, natuurlijk, maar ze lijken wel allemaal op elkaar die noord-Nederlandse stadjes. Het was pas toen we langs de kade reden dat ik iets unieks zag: een scheepswerf waarin een schip uit de Gouden Eeuw werd nagebouwd. Het handelde zich om een replica van het schip waarmee Willem Barentsz en zestien andere schepelingen de kop van Nova Zembla rondden in hun catastrofale expeditie van 1596-1597 om in opdracht van een predikant-cartograafde noordoostpassage naar India en China te vinden. Er was een klein gratis museum bij van ongeveer dezelfde afmetingen als het Behouden Huys waarin de mannen op Nova Zembla overwinterden. Een mevrouw kon er meeslepend over vertellen en omdat Miru zich op een kleurplaat had gestort volgde haar papa het verhaal tot het einde. Dat is pas een avontuur! Wist u dat toen de ijsberen tijdens de winter sliepen de poolvossen kwamen opdagen en Barendtsz’ mannen door hun vlees net genoeg vitamines binnen kregen? En dat ze later, toen ze na de dood van de geliefde kapitein Barendtsz in Rusland het plantje lepelblad ontdekten dat zo boordevol vitamine c zit dat de scheurbuik van de zeebonken genas? Of dat ze op de terugreis hun bekende Jan Cornelisz Rijp min of meer toevallig ontmoetten, die de helden terugbracht naar Holland, waar ze van Rotjeknor naar Mokum moesten lópen om daar van de Staten-Generaal te horen te krijgen dat ze geen 25.000 gulden kregen omdat de noordoostpassage niet was ontdekt (dat zou pas eeuwen later gebeuren).
De replica is toegankelijk voor leken en ziet er prachtig uit. De stichting schijnt er al acht jaar aan te werken, maar over enkele maanden staat de tewaterlating van de ‘Windhond’ van 5 bij 25 meter gepland.

Op de dijk richting Zurich zongen we vrolijke zeemansliederen en moest Miru met de nietsvermoedende schaapjes op de foto omdat haar vader dacht dat zulke kiekjes er nu eenmaal bijhoren. En dan: de Afsluitdijk waar ik Miru op had pogen voorbereiden. De langste dijk met aan twee kanten water! De sterkste gemalen van Europa! Symbool van de Nederlandse waterbouwkunde! Huzarenstukje van ingenieur Lely en talloze noeste arbeiders. De Afsluitdijk dus, was makkelijk te befietsen. Er zijn aan beide kanten grote sluizen die af en toe open gaan. Het verkeer moet dan even wachten. Hierdoor is de snelweg op sommige momenten helemaal leeg, wat de opzittenden van fietsen een magisch gevoel kan geven.

Het was prachtig om over die dijk te fietsen met de kleine meid in haar fladderende blause poncho achter me aan.

Het enige probleemwas dat ik op een gegeven moment, door vreemde knellingen aan het zadel, mijn penis niet meer voelde. Ik raakte weliswaar niet in paniek en het gevoel herstelde tijdens de onmiddellijk ingelastte plaspauze toen ik mijn wateren vrijzinnig langs de dijk sproeide. Toch begreep ik ineens waarom de geslachtsoperatie zo’n heftig moment is voor transgender mensen ( u weet: het zg. Transitieproces behelst veel meer, zoals gezichts- en stembandenchirurgie, hormoontherapie, psychologische ondersteuning – fantastisch wat ze tegenwoordig allemaal kunnen). Het voelt voor een jongetje echt raar wanneer-ie weg is en die ervaring zelf doormaken voegt iets toe. Ik ben het dus niet helemaal eens met een denker als Ignaas Devisch, die stelt dat we gebukt gaan onder een teveel aan empathie. Veeleer zet ik mij in voor een vorm van amor intellectualis, niet tot god zoals Middeleeuwse Aquinisten, maar tot onze medewezens van wie we kunnen veronderstellen dat ze net als wij voelende wezens zijn. Laat empathie de vrije loop maar temper haar door dagelijks na te denken en er met elkaar over te praten. Dat laatste gebeurt nu te weinig.

Het Monument van Lely, een bronzen beeld van zo’n statuur dat het al menig bezoeker tot een vergelijking met Vladimir Lenin zal hebben verleid, stond op driewart van de Dijk, we nuttigden er een vegetarische lunch (ik word vega-Jehova: dingdong mag ik met u over broccoli praten?) en ik sprak een vreemde aan om de reden waarom men in 2018 een vreemde aanspreekt, vanwege zijn wifi-hotspot dus. Davy van Breugel was charmant en verleende me onmiddellijk toegang tot het Internet. Toen ik onze couchsurfers jn Alkmaar geschreven had dat we eraan komen vertelde Davy dat hij uit Veghel kwam.

Nadat Davy en het internet waren vertrokken nam er een zwaarlijvig heerschap plaats in de knusse lunchroom op de Afsluitdijk. Geert van Waveren was een in Indonesië geboren gepensioneerde kinderarts die heel veel van de wereld had gezien. Van Nederland had hij geen hoge pet op en vooral het koningshuis was waardeloos. Hij had jarenlang veel geschreven en wilde met zijn aantekeningen over Indonesië nogwat doen. Ik vroeg hem daarop of hij Marion Bloem kende en toen hij daar ontkennend op antwoordde opperde ik dat hij haar eens moest ontmoeten. Miru was bijgekomen van haar gegiechel “die meneer buik is heel superdik papa” en kreeg van een ervaren pediatrician te horen dat ze een heel mooi kindje was.

Het hele mooie kindje liet zich door haar vader naar Alkmaar fietsen, waar Jaap en Karin ons vergastten met een heerlijke maaltijd en lekkere Kroatische wijn (ok Yeon Yellow-Duck Choi, Miru dronk ranja). De kilometers door de kop van Noord-Holland vergden veel van mijn rugspieren omdat ik een rugzak droeg, maar de inspanning deed me goed. Na 70 kilometer in de pedalen begon ik aan mijn in 2003 overleden moeder te denken. Hier bij mij achterop zit jouw kleinkind, Ilja, zei ik tegen het wolkendek waar de zon juist met geweld doorheen brak. En daar weer achter hebben we jouw stuurtasje gemonteerd, dat ook op je fiets zat tijdens je ongeluk. Nu zit onze proviand erin. Waterlanders welden op. Ik had deze existentiële emotie zelf opgewekt onder invloed van de softdrug die stevige lichamelijke inspanning is. Kijk, iedereen gaat op zijn eigen manier om met rouw en het is misschien een van de meest in het oog springende karaktereigenschappen.

Ik zal niet verder gaan met pretentieus gewauwel over de grote emoties die we in dit leven mogen ervaren. Ik hing mijn rugzak over het stuur, klemde mijn mobiel erop vast en volgde de paarse lijn tot aan het huisvan onze geweldige hosts. Er was een kamer voor ons met opgemaakte bedden en twee kaarten die de waarde onderstreepten van ontmoetingen tussen onbekenden en ons, onbekenden, een gelukkige levenswandel wensten.

Ik had ook nog naar Texel gekund, dacht ik. Dan had ik wat schapenwollen piekhaar op Miru’s hoofd gedrapeerd en haar voor het huis van Jan Wolkers laten poseren. Maar dan doe je het erom en dat is niet de bedoeling. Maar kun je authenticiteit wel volhouden wanneer je je er heel erg van bewust bent, dat je autentiek wordt gevonden?

Fietstocht door Nederland Dag 12
Kaasmarkt, Zaanse Schans, Wallen

De lage rondvaartboot door het historische centrum van Alkmaar was ons aangeraden, en Miru genoot van de 45 minuten durende rit. Het leukste was het bukken wanneer de boot onder de laagste brug door voer, die slechts 80 centimeter doorvaarhoogte hadden.
Ik hoef niet te bukken want Miru is super klein. Haha hahaaha.
Terwijl ik naar de uitleg van de gids luisterde in het Nederlands, steenkolen-Duits en -Engels over de panden die we voorbijvoeren gierde ze van de pret. Het huis met de kogel, het hof van de oude vrijsters, het huis met het VOC-logo: de context die toeristen die geen 5 meer zijn nodig hebben om van bakstenen te kunnen genieten.

De kaasmarktshow op het overvolle plein voor de waag vond ik saai, het bronzen en het echte kaasmeisje mooi, de straatmuzikanten leuk (een van hen was de groen geklede BertjeDoperwtje.nl die stond te raggen op zijn gitaar dat het een lieve lust was, terwijl Miru danspasjes maakte). We maakten kiekjes,we proefden stukjes kaas, we wachtten de regen af in een ijssalon, we waren gewoon toeristen. Onze fiets stond ondergronds gestald, gratis, dat is perfect geregeld daar in Alkmaar.

Die ochtend had onze vriendelijke gastheer Jaap (jaaplotstra.nl) tijdens een hartelijk afscheid professionele foto’s van ons gemaakt. Ik eet mijn hoed op wanneer u niet onmiddellijk herkent welke van de foto’s bij dit bericht er met zijn 200 mm F2.8 zijn gemaakt.

Zo wordt het teveel een opsomming, een verhaal dat ik obsessief compulsief moet optekenen, maar dat voor de lezer, ik heb het wel door, na enkele hoofdstukken saai wordt. Hoe kunnen wij ons daartegen wapenen, tegen die onverbiddellijke vervluchtiging van onze interesse? In mijn dagelijkse bestaan ben ik vaak weerloos tegen de erosie van zingevingsnarratieven, om een duur woord te gebruiken, maar tijdens deze reis kon ik dan tenminste nog besluiten om naar de Amsterdamse Wallen te fietsen.

Onderweg kwamen we langs snackbar Betty in Zaanstad, die eruit zag als een tweederangs frietkot en besloten er friet te gaan eten. We kregen een enorme bak van de vrouw met de geëpileerde wenkbrauwen, die Miru tevens voorzag van bellenblaas. De frieten waren verrukkelijk, de portie royaal. Ik wilde over Betty schrijven zonder precies te weten waarom. Vanuit een intuïtie die ik zelfs nu nog niet kan doorgronden. Dat houdt Betty te goed van me.

Toen we na een slordige 20 kilometer over mooie dijken en leuke bruggetjes op de Oudezijds Voorburgwal aankwamen, kwam Yoon-shik Boxman ons tegemoet lopen. We waren in de rosse buurt maar we gingen niet rossen.

We spraken lang over levensvragen en dingen waar mannen ook heus wel met elkaar over kunnen praten, maar mijn hoofd was duf van de vinho verde en Miru moest na haar tekenfilm naar bed. Ze mocht dromen van de dingen die ik nog niet vermeld heb hier,van de sterke zijwind op de dijk bij Alkmaar die ons bijna van de weg blies, van het bezoek aan de Zaanse Schans waar Miru bij een bruiloft naar binnen glipte om te ontdekken dat bruidsmeisjes geen prinsesjes zjn, waar busladingen oneerbiedige Chinezen tussen de groene huisjes krioelden, en van de kunstgalerij waar ze bij een vernissage heelvl veel aandacht en aardappelchips van het publiek oogstte
Wat een schatje!
Uitgeput sliep ik, na een lekker gesprek tusse heren en het schrijven van dit verslag, op een idioot laat tijdstip in. Dit is het. Dit is wie of wat ik worden zal, er is niks dat ik voor me uit schuif, geen grote beslissingen om aan een toekomst te beginnen. Aangekomen-zijn, daar probeerde ik van te dromen in wat er van de nacht resteerde.

Erk. This is it.

Fietstocht door Nederland Dag 13
Dans le coeur d’Amsterdam

Die dag fietsten we niet. Het rijwiel – op geleende spullen ben je zuinig – stond veilig in een hok op de Oudezijds Achterburgwal. Het ochtendgloren en de romantiek van veegwagens langs de gracht en Amsterdam s’éveille waren lang vervlogen toen we ontwaakten. Miru, die de de avond ervoor natuurlijk niet had geblowd, verveelde zich stierlijk dus papa voelde zich een beetje schuldig. Voor de goede orde: het heenkomen waar we de nacht doorbrachten is tien keer groter en ook veel frisser dan het onderdak hier in de buurt dat je per uur betaalt.

Miru genoot van de drukke straten toen we die middag met een IKEA-tas vol wasgoed naar de Warmoesstraat togen. “Die mevrouwen”, de raamwerkers die we onderweg passeerden, vond ze “alleen maar mooi” toen ik het ten behoeve van dit verslag de volgende ochtend vroeg. Er was een gezellige drukte rond de primitieve wassalon (met muntjes en zonder wifi, een tijdreis voor iemand die Zuid-Korea gewend is) en mijn kleuter genoot zichtbaar van de hustle and bustle hier in het kloppende hart van toeristisch Amsterdam. De trage start van de dag was vergeten.

Ik vond de sfeer op de Wallen prettig. Natuurlijk waren er hoerenlopers die met een stenen gezicht naar binnen glipten waar wij glimlachend en Miru wijzend “hé, bijna helemaal bloot” voorbij liepen, en in zichzelf gekeerde drugstoeristen, maar de algemene indruk, ik mag veralgemeniseren, was er een van jolijt en een kameraadschappelijkheid vis-à-vis het bevredigen van de lichamelijke geneugten.

Desalniettemin bekroop me bij de aanblik van ettelijke etalages met stimulerend speelgoed, waaronder leden met realistisch geboetseerde aderen, pluizige zowel als haarloze synthetische vooronders en “de fist”, een zekere tristesse. Wat hier werd aangeboden is niet mechanisch soelaas voor de geilheid die onze primatensoort het hele jaar door in haar greep heeft, maar de meest wanhopige communicatiemiddelen die er bestaan, de laatste toevlucht van mensen om een verbintenis met hun soortgenoten pogen te ervaren. In plaats van een lofzang op de zelfredzaamheid die deze ingenieuze toys beloven, hief ik in mijn binnenste een jeremiade aan. Oh god, hoe kan het zijn dat wij, die allen aanstonds tot stof zullen vergaan, die allen zijn gevangen in meurende lijven, dat wij zulke wanstaltige en lachwekkende pogingen moeten blijven doen om nader tot elkaar te komen. De geest van Reve, waar mijn Mokumse gastheer Yoon-shik Boxman nog over heeft geschreven, roerde zich in mijn ingewanden en dreigde met een kwalijke oprisping.

Genoeg. Er is veel nauwkeuriger over seks geschreven en dit is geen themanummer van een tijdschrift dat verkopen moet maar een authentiek fietstochtverslag. Ik vond het wel frappant dat de ramen van de Oude Kerk, in het licht van de priesterschandalen die de katholieke kerk teisteren, rood verlicht waren. Achter die ramen, beste toeristen, de grootste van het red light district, daar vinden de ranzigste peepshows plaats. Dat de Oude Kerk sinds 1578 Calvinistisch is, een kniesoor die daarop let. Ik laat me mijn grapje niet afpakken door die Geneefse azijnpisser.

Genoeg. Bij het bankje met de bronzen Majoor Bosshardt rustten we uit. Miru had Koreanen ontdekt dus ik moest ons verhaal in die voor mij nog altijd vreemde taal vertellen. Toen ze verder trokken danste Miru onder het toeziend oog van de Majoor op straat terwijl ik halfzacht en verlegen een soort van ritme aangaf. Passanten liepen door haar voorstelling heen maar dat hinderde niet. Het was buiten al donker en alles begon zich weer op te maken voor de nacht.

Wij dronken een bescheiden biertje bij café Emmelot, waar ik van heel dichtbij een afrekening in het horecacircuit meemaakte. Hoe heet die comedyjongen, Pieter Derks, je mag deze hebben. Miru werd er vertroeteld door oma Gina, zo geloof ik dat haar naam was, een vitale, niet uitgedijde donkere vrouw die maandag weer stroopwafels verkoopt op de Albert Kuyp. Het was haar verjaardag en ze trakteerde Miru op appelsap. Misschien moet ik me zorgen maken over de populariteit van mijn kroost, omdat ze zo karaktervormende ervaringen van subtiele afwijzing ontbeert? Ik weet het niet. In ieder geval verleent ze míjn karakter de contouren zonder welke ik een non-descript tobbend mannetje zou zijn met een kek brilletje en praatjes, veel te veel praatjes.

Een slapende Miru vormde die nacht het décor van een vrolijk gesprek tussen twee heren van 36 en 39, over Zuid-Afrika’s poëten Krog en Brink, Koreaanse eliteuniversiteiten die wereldwijd niet eens de top 100 halen maar waar Koreanen een karaktermoord voor doen om toegelaten te worden, en vooral veel muziek. We lieten de avond uitklinken, wanneer mij dat germanisme veroorloofd is, met whisky en zangers als de Grunningse Jacques Brel, Ede Staal en de national fanfare of kadebostany.

Ik stapte over mijn onzekerheid en frustratie een afbraakintellectueel te zijn heen, vergat mijn haat-liefdeverhouding met erkenning, die van ons schlemielen maakt, en aanvaardde dat wat ik ben reeds bewezen is.

Fietstocht door Nederland Dag 14
Naarden, Amsterdam

Na twee weken merkte ik dat ik de neiging kreeg om dingen te doen om erover te kunnen vertellen. Leven om een vertellenswaardig verhaal te genereren. Bij ontmoetingen bedenken of er niet een associatie is met een bekende naam, die ik dan met schijnbare achteloosheid in mijn verslag kan laten vallen. Of expres per ongeluk in de gracht springen voor het medeleven dat je daarmee oogst.

Ik wilde dit niet forceren dus is er geen Miru en de wassen beelden en geen Miru in het Rijks. Voor alles is een tijd, beweren zowel de wijste als de onbenulligste mens ooit, dus daar houden we ons aan. In de morgen produceerde ik het verslag van de vorige dag, gedreven door een gevoel van verantwoordelijkheid omdat er “hier” misschien wel lezers zijn die op een nieuwe dag weer een nieuw verslag verwachten. Ik heb onnoemelijk veel respect voor columnisten die dit jarenlang klaarspelen.

Het schrijven voelde goed. Het was, in bescheiden aanleg, wat ik wil doen voor mijn bijdrage aan het bruto nationaal geluk. Er waren weer ravissante veren in mijn derrière gestoken, en deze kleurenpracht deed mij twijfelen aan mijn zelftwijfel. Zit ik hier nu waarde te produceren, dacht ik. Zou het?
-Wat is waarde? Hoorde ik iemand streng vragen, om dit vervolgens zelf te beantwoorden en aan zijn antwoord toe te voegen dat dat nou filosofie is. Natuurlijk wist hij beter wat filosofie is dan ik, hij had het immers niet gestudeerd. Ik kan wel over die vraag nadenken maar zal louter stamelen wanneer hij met de gestiek, mimiek en hektiek van een drill-instructor wordt gesteld. Jongen ik weet het ook niet maar ik ben niet bang van jou.

Waarde lijkt de neerslag van macht. Een papiertje waar honderd op staat aan iemand geven en die doet dan wat je zegt, is een voorbeeld van een grof quantum macht van de groote-orde waarop onze bewuste ikken opereren. Subtielere deponeringen van waardedragers, en daar vallen geschreven en gelezen zinnen ook onder, zijn ook neerslag van macht, maar zo miniscuul dat ze door het fijnmazige net van de waarneming glippen en niet op bewuste ikken werken maar op deelgebiedjes van jullie onderbewuste. Waarde is het vermogen, elkaar te beïnvloeden.

Die middag bezochten we een leuk Hollands gezin in Naarden, waar ik zowaar geholpen werd met mijn ideeën voor een filosofische creatieve consultingdienst, waar ik een lauwwarm enthousiasme voor heb omdat het veel leuker is dan het geestdodende vertaalwerk voor handleidingen waar ik me helaas een tikkeltje voor schaam. Caspar, naamgenoot van mijn broer Caspar Verwer, wist van wanten. Hij zaagde mij schoon door midden met een eenvoudige vraag over de blockchain waar ik naar mijn inschatting door zuurstofgebrek geen antwoord op kon geven. Hij hielp me te formuleren dat het me bij die hele exercitie om diversiteit gaat en dat ik meer moet brengen dan “ideeën”, want die kun je niet factureren. Het kommersjele stond me tegen maar ik begreep het wel. De bedrijfswereld is keihard en je moet de illusie verkopen dat je meer biedt dan een illusie.

Dit zou voor een schrijver geen probleem moeten zijn, dacht ik later, tijdens het schrijven van dit stukje.

Ik sprak in de auto (mag ik verraden dat het een hele coole SAAB is?) Van Yoon-shik Boxman over het basisinkomen, met meer enthousiasme dan precisie maar het was gezellig. Met een spoedig weerzien in het verschiet namen we afscheid. We waren die avond uitgenodigd bij Abys Kovacs-Wieg maar hadden ons twee uur in de tijd vergist en waren bovendien een half uur later dan de twee uur die we al te laat waren. Toen onze gastvrouw met rustige mimiek en gestiek duidelijk maakte dat er niets was dat vergeven moest worden werd ik vrolijk en dankbaar dat zulke mensen nog bestaan.

Ze had heerlijk Hongaars voor ons gekookt. Ik zat op een plaats waar ik mijn zitvlees niet waardig genoeg vond, een grote eer want hij behoorde aan een van de mooiste dichters die ons land rijp is (is, tegenwoordige tijd) en naast me zat Miru haar bord af te likken zoals de poes Piri met wie ze vriendschap had gesloten. Om de communicatie tussen haar en de mooie Bobtail (?) te veraangenamen transformeerde ze zichzelf in een kat met de gouden toverstaf die ze van onze vrienden had gekregen. De metamorfose hield lang aan en ik kon mijn lach niet inhouden toen mijn dochter een half uur later tevoorschijn kwam en uit haar mond het blauwe speelgoedmuisje van Piri bungelde.

Improvisatie. Dat vind ik fijn. We dronken wijn en spraken kort. Ik schreef dit verslag liggend op een matras in Amsterdam-Zuid, ontroerd van zoveel gastvrijheid en zo benieuwd naar de reputatie die ik ben.

We passeerden die dag trouwens ook een demonstratie met Israëlische vlaggen en druk pratende meneren en mevrouwen die het bestaan van alles behalve Israël ontkenden.
Er zijn geen bezettingen. Die mensen komen daar vandaan (sic). Salaam Aleikum! Riep een opgeschoten Arabische gozer en jhwh wat hielden we van Amsterdam.

Fietstocht door Nederland Dag 15
Bollenstreek, Noordwijk

Toen we langs de lange Slotervaart Amsterdam uitreden neuriede ik La vie en rose. De stad duurde nog aan maar aan de lucht rook ik dat we het buitengebied naderden.
Die ochtend hadden we gezellig ontbeten bij Abys Kovacs-Wieg, haar gastvrijheid zal ik nooit vergeten. Haar huis was een dichtershuis waarin ik geïnspireerd werd door de poëtische zielen van Rogi Wieg en Menno Wigman. Mocht ik geïnspireerd worden, was die vitale scheppingskracht een eerbetoon of – heiligschennis? Terwijl ik daarover, liggend op de matras waarop Miru helaas een klein ongelukje had gehad, probeerde een vers te schrijven, speelde mijn dochter weer voor kat.

“Alles was er” las ik op de muur. Rogi was een bijzonder talent en ik vond het onrechtvaardig dat hij niet met een kerngezond lijf was gezegend. Op het net vond ik deze regels voor zijn fictieve dochter, die ik ter harte ga nemen wanneer taal onze emotie verdringt:
Er is altijd een thema en dat ben jij, deugniet,
simpel gezegd, niet cryptisch, niet met vergelijkingen,
of mystiek, niet met dichterlijke ingrepen, niet met
woorden die met elkaar spelen […]

We kwamen bij een molen, molenvansloten.nl, de enige werkende molen in Amsterdam, die het water wegpompt als dat nodig is. Twee meter onder NAP. Er is een kuiperijmuseum in gevestigd dat wij vanwege tijdnood niet bezochten (om dezelfde reden moesten we ontmoeting met Willem Tieske Derks afzeggen maar dat wil ik inhalen). We namen genoegen met een foto van de bronzen Rembrandt en Saskia voordat we verder fietsten langs Schiphol en Miru van alles riep tegen de overvliegende Boeings.

Nem szavód, zei ze ineens (ik heb geen idee hoe je Hongaars schrijft). Niet doen, betekent dat. Ze had het onthouden omdat ze het tegen de poes Piri had mogen zeggen toen die haar nagels in de zitbank zette.

Toen ik zag dat onze route door Hoofddorp voerde besloot ik om Esther van den Bergh te verrassen. We verbleven een opgewekt half uurtje bij onze goede vriendin die me veel kon vertellen over het vervolg van onze tocht naar Noordwijk omdat ze die met haar Canta gereden had. We zouden langs de drie Calatravabruggen komen, een megalomaan controversieel project van de gemeente Haarlemmermeer dat ik wel mooi vond. Harp, citer en luit heetten ze en ze leken op drie jonkies van de Erasmusbrug. We zouden door de Bollenstreek fietsen, langs de pittoreske Leidsche Vaart en andere oerhollandse taferelen.

En zo geschiedde. Een aardige communicatiewetenschapper (v) op een mountainbike reed een stukje met ons mee tot aan Nieuw-Vennep. Onder de bewolkte hemel was het landschap licht mistroostig. We fietsen door Lisse, rakelings langs de Keukenhof en zagen zowaar nog een veldje met bloeiende bloemen. De herfst nadert, dit gebied zal aanstonds vaal zijn en stil. Ik dacht aan een regel van Menno (dat lieg ik, ik heb hem voor de gelegenheid opgezocht):

De zon was mij niet opgevallen als hij niet
steeds onderging, Geen lucht, geen flonkering, geen hoop.

Het was de eenhoorn achter het raam die mij even later verzekerde dat we bij het goede huis waren. Mijn vriend en geloof me, een van Nederlands innovatiefste en lekkerste (ik durf dat adjectief aan) dichters Martinus Benders woonde in een leuk huisje naast een bollenschuur, samen met zijn lieve vriendin. We spraken over eenhoorns, het Fonds der Letteren, Heimkehr na een bestaan als expat en onze dochtertjes, die op dezelfde dag jarig zijn. We lazen elkaar geen poëzie voor (ik zou me opgelaten hebben gevoeld als een naakte vlieger); veel poëtischer was het, te spelen met Miru die de popjes steeds hoger liet vliegen. Eerst naar het plafond, toen naar Mars en tenslotte naar Pluto, waar het donker was.

Het leek even een themareis poëzie te worden, dus voor de gelegenheid citeer ik Benders met een regel die volgens mij zijn woonplaats in Noordwijkerhout adequaat beschrijft:
Waar witte wolven dommelen onder een narcotisch maantje.
bloemen mondkapjes dragen in alle kleurvergis.

Die avond sliepen we bij onze vriend Jan van Waas in Noordwijk, die we via Couchsurfing in Seoul hadden leren kennen. Miru ging gewoon door met spelen en ik vroeg me af of haar grenzeloze energie en van de norm afwijkende spontaniteit me zorgen zou moeten baren.

Niet teveel nadenken, gewoon dóen, is een advies dat ik weleens krijg. Ik geef dan te bedenken dat er weinig verschil is tussen doen en praten terwijl er krampachtig wordt volgehouden aan een concept van de daad die zich aan het woord onttrekt. Poëzie is een daad, wordt er dan geproclameerd, maar ik zeg dat de grootste daden, zoals het stichten van een stad of het verklaren van een oorlog, een ridderslag of gerechtsoordeel, of het zingen van het clublied van Feijenoord, woorden zijn.
De stichtelijke laatste zin laat ik aan de lezer over.

Flattr this!

Fietstocht door Nederland Week 2 werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Fietstocht door Nederland

In plaats van een column mijn Facebookverslag van de eerste week fietsen door Nederland met mijn dochter Miru van vijf. FOTO’S staan op Facebook.

Nederland Dag 1.
In de Brabantse bossen.

De regen heeft ons niet overvallen en we pauzeerden bij een berg aardappelen, die voor de koeien bestemd waren. Een daarvan was hartvormig. Na vier boterhammen met pindakaas vervolgden we onze fietstocht tot diep in de bossen ten oosten van Den Bosch. Daar bezochten we een goede vriendin, met wie we veel zieleroerselen gemeen hebben. Terwijl de januaridochters zich in twee fantastische evil Elsa’s uitputten, keuvelden wij over permacultuur, veganistische lekkernijen, het houden van kippen in een voedselbos en hoe je een verhaal over wereldverbetering vervlecht met een persoonlijke wordingsgeschiedenis, zodat het mensen gaat interesseren.

Bedankt, Manon Ossevoort Rogier en Hanna.

Morgen vervolgen we ons pad richting Ravestein naar het leuke linkse Nijmegen. De pap zit nog niet in de benen, de r nog niet in de maand en de geest is nog jong.

Fietstocht door Nederland Dag 2
Over de Maas

Toen Miru de hond Biba uit Tanzania, die haar de vorige avond nog zoveel angst inboezemde, genoeg had geaaid vervolgden we onze weg. De buiken zaten vol verantwoorde pindakaas en we waren vrolijk gemoed, dus heerlijk zoefden wij door het noorden van Brabant, langs maïsvelden en een droogliggend ven waar mooie kleine paarden overheen sjokten.
We pauzeerden bij een waterput waar Willibrord nog gedoopt had, en op die plek besloot ik Miru’s knuffel als mascotte te gebruiken.
Een uur later zaten we op de bank bij mijn eertijdse vioollerares Heidi Poessé en haar man in Ravenstein. Dochterlief bewonderde de barbiepoppenverzameling van de dochter des huizes en onderwijl haalden wij oude, dierbare herinneringen op over de tijd dat ik wekelijks vioolles had, twintig jaar geleden.
Gesterkt door een broodje Hollandse kaas en een fijne ontmoeting lieten we ons vervolgens overzetten met het voetveer over de Maas. De laagstaande zon zorgde voor een betoverende sfeer die ik met mijn zakcomputer vastlegde.
Weiter ging es, o vergeef me mijn Germanismen zoals ook ik u vergeef, langs de Meuse, zingend. We arriveerden rond 6 uur bij de Hof van Wezel, een heerlijke alternatieve camping waar we ons snel thuisvoelden. Na wat boodschappen in Beuningen en het opzetten van onze geleende koepeltent (dank je Marjolein Hermsen) was er een jamsessie, waar ik op de mandoline lustig doorheen speelde terwijl Miru haar zangkunsten ten beste gaf. Ze was in slaap gevallen voordat ik m’n biertje ophad, en ik droeg haar tevreden naar de tent.

Fietstocht door Nederland Dag 3
Over de Waal

Toen we wakker werden in onze koepeltent verbaasde Miru zich over de condensdruppeltjes in de voortent. Allemaal water! Hoe kan dat nou?
Willen jullie heet water voor koffie of thee? Vroeg een vriendelijke campingbewoner die zich even later, toen we bij zijn vuurmand zaten met een mok sterke koffie en sinaasappelsap, voorstelde als Benno. Benno woont tot november in een ensemble van caravans, mannequins, een muur van strobalen gedecoreerd met posters van the Ramones, Queen, en Johnny Cash’ middelvinger, een houtstapel bijeen gesprokkeld uit de omgeving, een provisorisch aanrecht en een keur aan rondslingerende objecten. Hij lachte vriendelijk en aanvaardde dankbaar de boterham met pindakaas die we hem in ruil voor de versgemalen koffie aanboden. We aten, Miru speelde met de poes, en uit de luidsprekers klonk
Where did all the good people go?

De Nederlander noemt dit een ‘momentje’.

Nadat we onze tent hadden opgevouwen mocht ik op het terras van onze gastvrouw het verslag van gisteren schrijven. De mensen, die ons herkenden van de jamsessie, groetten ons hartelijk. De Hof van Wezel is een interessant biotoop, een hoopvolle microcosmos van mensen die genoeg hebben van de hyperindividualistische mores van de reguliere, veel meer inkomstenbelasting betalende buitenwereld.

We reden tot aan Ewijk, waar we in de kantine van een manége scholen voor miezerig hemelwater. Miru observeerde de rijschool maar zwoer zelf nooit op een paard te gaan zitten. We waren hier vanwege de Waalbrug, omdat het voetveer even verderop was gestremd door te laag water na de absurd hete zomer. Zo waren we vandaag heuse slachtoffers van climate change dus leer dat nu toch eens lieve mensen: omdat u zo lang doucht en auto rijdt ging onze veerpont niet en moesten wij twee kilometer omrijden. Erbarm u.

De tocht door de Betuwe die volgde was mooi. Eindeloze rijen fruitbomen die in Miru’s fantasie allemaal Tante Perenboom heten. Statige molens. Een vriendelijk heerschap voor een boerderijmuseum met een kippentrappetje. Het autoveer naar Wageningen, waar we weer werden overvallen door de regen.

In Wageningen arriveerden we om half zes bij Anita, die we via Couchsurfing hadden leren kennen en had gereageerd op mijn spontane vraag die middag. Het kwam goed uit want ik kon boodschappen doen en koken ( ik vermeld het erbij opdat u niet denkt dat couchsurfers er alleen op uit zijn om te parasiteren; dat is een kleverige reputatie waarvoor ik de beroepsgroep bij dezen wil behoeden)

Helaas was ik uitgeschoten met de cayennepeper en was de soep slechts voor de chef zelf eetbaar, die er met een hete bek drie bakken van leegslurpte. De salade en de aardappels waren wel gelukt, evenals de superorganische driesterrenkip. Als u toch af en toe vlees moet eten, neem dan altijd vlees met minstens drie ‘beter leven’ sterren. Dat voelt u in uw portemonnee en dat is ook precies de bedoeling. Minder! Minder! Minder! Ik roep hierbij op tot een spotprentenwedstrijd over de bioindustrie.

Na een uur aan dit korte verslag te hebben gewerkt op mijn telefoon, is Miru in slaap gevallen. Ik ben niet tevreden over de zinsbouw en het overkoepelende narratief, maar ga nu niet meer rommelen.
Ik wens u allen een gezonde nachtrust nabij uw dierbaren.

Fietstocht door Nederland Dag 4
Door de Veluwe

De zon scheen toen we ontbeten op het voorbalkon van het Wageningse stulpje waar onze spontane gastvrouw ons op zachte matrassen heerlijk had laten slapen. Ik nam zoveel mogelijk calorieën in omdat we deze dag ‘heel wat van plan waren’.
Anita fietste met ons mee tot aan Ede, door prachtige, fotogenieke bossen en velden, langs kasten van huizen en idyllische boerderijen. Na Ede lokte de hoge Veluwe. Ik trapte eerst een stuk langs de rijksweg en sloeg vervolgens rechtsaf de Edese heide op, die er prachtig bij lag in de opgeklaarde lucht.
Ik vertelde Miru wat camouflage is, en vroeg haar of ze de zes soldaten kon zien, die juist een groen vuurbaken ontstoken om een helicopter op hun aanwezigheid te attenderen. De heli daalde met wild geraas tot vlak boven het veld en verdween weer in de verte. Volgens een vriendelijke passant op een fiets, wiens zoon binnenkort op missie gaat naar Mali, was dit nog niks. Verderop oefenden ze met Chinooks en Apaches en werd er naar hartenlust geschoten. Maar deze heli hadden ze voor de gelegenheid geleend. Ach, we zijn hier in de buurt van de Grebbelinie en het gaat om de landsverdediging.
In Otterlo gunde ik mijn kroost een roze ijsje in een zeer toeristische uitspanning. We reden naar de entree van het Kröller Möller en het nationale park, maar besloten verder langs de N304 te rijden omdat 9,50 te veel gevraagd is voor een stukje fietspad. Mijn benen begonnen op te warmen terwijl we doorstoomden langs Hoenderloo (met twee o’s voor de spellingsquizliefhebbers) en Beekbergen tot in het hart van Apeldoorn. De vele racefietsers die voorbij flitsten, een meneer bijna rakelings, ontlokten mijn psyche geen haantjesgedrag, maar stimuleerden de rustige, wijsneuzerige tevredenheid van een trotse jonge vader.
We smokkelden het stuk Apeldoorn – Ommen: waar zouden we zijn zonder de trein? Diep in de nacht langs velden en wegen fietsend, koud en donker van gemoed. De spoorwegen waren echter niet gebruiksvriendelijk omdat er in Apeldoorn een loket ontbrak.
Nederland is lastig hè, zei een medereiziger.
– Woont u ook in het buitenland?
Ja ik woon in Moskou.
– O, ik vond Zomergasten met Pieter Waterdrinker zo goed.
Heel Nederland had van de aimabele verteller genoten.
Ik ken Pieter persoonlijk.
– Het is een kleine wereld. Goede reis!

Een meisje van 17 hielp ons op de trein. We moesten drie keer rennen om in het voorste treinstel met het fietsicoon te komen, maar we volbrachtten dit. Zwolle was een gezellige tussenstop: een romantisch eeuwenoud centrum ondergedompeld in de gezapigheid van terrasbezoekers en winkelende mensen. Ik stuurde Miru een notenwinkel in een elegant historisch pand in met een twee euromunt om een bakje tropische mélange te kopen.
Dat is een cadeautje voor mijn vriendinnetje, zei ze tegen die mevrouw.
– Wat lief van jou, antwoordde ze, terwijl ze de bon overhandigde.
Het was zo zoet dat ik tranen in m’n ogen kreeg.

We bereikten Ommen rond 8 uur. De navigatie bracht ons probleemloos naar het gezellige huisje van VVViviane Rosen haar vijfjarige dochter. De meiden begonnen onmiddellijk met elkaar te spelen en het was een tour de force om ze naar bed te brengen.

Fietstocht door Nederland Dag 5
Om Ommen

Na een lekker ontbijt van sojayoghurt met mango, liet onze gastvrouw ons de omgeving van Ommen zien. Gezusterlijk zaten onze dochters naast elkaar in veilige kinderstoelen op de achterbank en luisterden naar Nijntje.
Als eerste deden we het Vechtdal aan voor een boswandeling. Het bleek de plek waar de Indische theosoof (volgens het bordje althans, dank Wijnand Steemers) Krishanamurti tijdens zijn verblijf in Nederland zijn lezingen en genezingen hield. Dat soort weetjes verandert voor sommige mensen alles. Zij wandelen niet simpelweg langs een anonieme, met kroos bedekte beek in Noord-Overijssel. Zij verheugen zich niet simpelweg over de paar planten, bramen, hop, vlier, die ze kunnen identificeren en opeten. Zij breken niet simpelweg een afgevallen tak op maat omdat hun dochter precies hetzelfde wil als haar vriendinnetje: jurkje, eten voor de tv, koekje, trampoline.

We reden verder naar een blauwe bessen-pluktuin, waar ze koffie, thee en taart verkochten. Het was tevens de plek waar de trampoline stond, dus Miru en Niamph vermaakten zich als vlindertjes en andere vliegende weldoeners, terwijl hun ouders, allebei 39, zich onderhielden (is dat weer een Germanisme?) over het leven en de vele gezichten van de liefde. Ik miste mijn lieve vrouw Yeon Yellow-Duck Choi, die dit – en dat is een grappig neveneffect – via google’s machinevertaler leest.

‘S Avonds bereidde ik pompoen-courgette-appelsoep. Die appel is helemaal niet zo gek mensen! Zelfs Miru onderbrak haar woezelenpipsessie – Neerlandse ouders weten wat ik bedoel. Viviane Rose las de kleuters een boek over het zonnestelsel voor. Ze leren sneller dan ik kan schrijven.

Fietstocht door Nederland Dag 6
Rustdag

Miru’s nieuwe vriendinnetje Niamh vierde vandaag haar vijfde verjaardag, en ze was samen met haar papa uitgenodigd. Het is meer dan een kwart eeuw geleden dat ik voor het laatst een Nederlands kinderfeestje met papieren hoedjes en ballonnetjes heb meegemaakt.

Met Miru wandelde ik ‘s ochtends naar de supermarkt voor wat vergeten boodschappen. Onderweg zagen we een grasmaairobot over een reeds gekortwiekt gazon heen en weer rijden, en ik vroeg me af of dit mensen met vrolijke hoogmoed over de technologische vooruitgang kan vervullen, of met een misantropische neerslachtigheid. We kochten wat we nodig hadden en daarna mocht mijn dochter op het springkussen, waar ze gierde van de pret.
Het feestje begon om een uur. Er was vegane spekkoek, een wild krantenproppengevecht, drie jongetjes van vijf, een chaos van blauw kleizand, dino’s, stoepkrijt, vier meisjes van vijf, bedspringen, wild rondrennen en nog veel meer.

Een rustdag dus. Ik vond tijd om de volgende etappes naar Groningen en Leeuwarden voor te bereiden en voor wat korte overpeinzingen.

Bij avondlicht reden we nog naar de Sahara, een kleine zandverstuiving bij Ommen, waar we een fort bouwden met muren van het merkwaardige roetzwarte zand dat we op 20 centimeter diepte aantroffen. Het zwarte zand was het meest in het oog springende verschil met de Loonse en Drunense duinen in Brabant, waar ik als kind hutten bouwde.
Miru klom op een laaghangende tak en haar vader wenkte haar van halverwege de boom, waarin hij al snel naar boven was geklauterd. Hoe hoog zou ik in haar waarneming hebben gezeten? Zal ik in haar herinnering nog hoger komen te zitten? Papa kan alles, is toch de stellige overtuiging van kinderen onder de tien?

Domme papa, zei ze toen ik haar jasje, dat ik 35 jaar geleden trouwens zelf droeg, in de boom vergat. Dat is helemaal niet mijn stellige overtuiging, voegde ze eraan toe.

Toen de kinderen sliepen vertelden onze gastvrouw en ik elkaar verhalen over verre reizen en het stramien, het gezapige, truttige, perfect georganiseerde wereldje waarin we niet meer passen maar omwille van ons nageslacht lijdzaam naar voegen. Over specicisme en of je poezen binnen moet houden om vogels te beschermen. Over controle dus, en weldra over de onvolmaakte controle die we hebben over onze identiteit. Over couchsurfingbelevenissen en vertrouwen, intuïtie en gezichten lezen. Het werd een echt gesprek.

Mensen, voer morgen echte gesprekken met elkaar. Het is het waard.

Fietstocht door Nederland Dag 7
Omweg naar Groningen

We voelden ons na de derde nacht in Ommen, het spreekwoord over gasten en vis ten spijt, vrolijk en fris. Maar Miru’s nieuwe vriendinnetje moest de volgende dag weer naar school, we wilden verder naar het hoge noorden en de pindakaaspot was leeg, dus stapten we na een goed ontbijt op de fiets voor een tocht van drie kilometer naar het stationnetje van Ommen, waar we de trein naar Zwolle stapten.

Morgen begint het nieuwe schooljaar hier en de vraag over mijn dochters leerplicht hing al een tijdje in de lucht. Moet ze…gaat ze….. hoe is dat in Korea? Nog niet, volgend jaar pas, en by the way: van reizen leren ze het meest. Ik kan Miru’s taalontwikkeling bijna voelen en haar sociale vaardigheden verbeteren met rasse schreden. Ik ben een rasdiplomaat aan het kweken, stelde ik gisteren frivool, een soort Fransiska Timmermans. Het is waar. En omdat Miru in Zuid-Korea woont kunnen we dit doen zonder Nederlandse instanties wakker te schudden die ‘het beste met ons voor hebben.’

Zo speelde Miru uit eigen initiatief op het perron van Ommen paaldanseresje totdat de trein arriveerde. Blij gemoed stapten we op. In de trein troffen we een groep fietsers aan die bescheiden vertelden dat ze vandaag een rondje Dalfsen gingen doen, maar ze hadden al menig ver oord befietst. Er heerst een soort solidariteit onder tourfietsers (met van die tassen dus) en dat gevoel is gemakkelijk op te wekken en uit te buiten. Je hoort er onmiddellijk bij wanneer je op een bemodderde en bepakte tweewieler wijst, er is onmiddellijk rapport. Dat fenomeen, dat in bepaalde mate ook geldt voor hondenbezitters, vogelaars, lifters, veganisten, naaktlopers en baronessen, zou beter onderzocht moeten worden. Solidariteit is tenslotte het smeermiddel van de samenleving. Jammer daarom dat de VVD de solidariteitsbelasting juist wil afschaffen.

Een vriendelijk besnorde conducteur maakte ons erop attent dat er vanaf Assen geen treinen reden. Om met de fiets in Groningen te komen moesten we dus via Leeuwarden. Enfin, om drie uur waren we in Groningen, op een zonovergoten stationsplein ontmoetten we mijn vriendin Bronja Prazdny en haar coole zoon van tien, die het direct goed kon vinden met de kleine Miru.

We slenterden door een mooi stadspark, waar het festival Noorderzon nog niet vertrokken was. Mensen kijken, niet kopen. We rustten in een soort lunchroom, waar een mevrouw ons kabouterbier en ongeslepen kleurpotloden serveerde, zodat we genoodzaakt waren ons met de papegaai te vermaken. We keerden, toen het grand café zijn deuren sloot, terug naar het park voor klimrek en suikerspin. Bronja en ik spraken over het Schrijven, over de dwingelandij van uitgevers en dat je alleen personages mag ten tonele voeren die natuurlijk overkomen en waar de betalende lezer zich in kan verplaatsen. Zulks prikkelt mijn rebelse instincten: neer met het natuurlijke personage, weg met de truttigheid van literair psychorealisme en schrijvers met kekke brilletjes die ‘het leven zelf onderzoeken’. Ja toch, Joris van Os?

Des avonds fietsten we, na een lekkere vegane burger (probéér ze nou eens: je weet niet wat je niet mist) in een ‘haute friture’, dat was althans hun wifi-wachtwoord, naar een rustige wijk waar een vriendelijke couchsurfer ons verwelkomde. Susanne woonde samen met haar hond Bella, die Miru eerst de stuipen op het lijf joeg met een diepe blaf, maar een half uur later kon mijn dochter er geen genoeg van krijgen om haar zeiknatte bal naar alle hoeken van de kamer te gooien.

Ze sliep voldaan in, een angst armer, een ervaring rijker.

Fietstocht door Nederland werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Ronde van Nederland 1

Wanneer u dit leest rijd ik met bepakking en dochter op de fiets door het Brabantse land. Onbekommerd. Milieuvriendelijk. Welgemoed. De komende anderhalve week gaan we ruwweg de ronde rijden die ik op bovenstaande oude kaart heb ingetekend.

Daar zou ik deze mededeling bij kunnen laten, ware het niet dat ik van mezelf verwacht dat ik erover ga schrijven. Als inspiratiebron dient de onvolprezen taalvirtuoos Joris van Os, bij wie een mens graag in ‘t gevlei komt. Van Os doet dit moment op Facebook verslag van een verblijf in IJsland en het natuurschoon dat daar te bewonderen valt.

Wellicht komen we dingen tegen die zich juist zo lang voor noemenswaardig laten houden, dat een kort stuk prosa erover lang en breed af is alvorens ze hun betekenis weer verliezen.

Ik heb geen idee wat wij in de Lage Landen gaan beleven. Op deze plek wil ik in ieder geval mijn bewondering uitspreken voor alle pennenlikkers die niet, zoals ik, zijn geveld door een rare verstopping van hun woordenvloed. Ik heb vandaag geen idee waar ik nog melding van zou moeten maken. Stelt u zich dat eens voor, broodschrijver te zijn en dan op een dag zonder inspiratie te zitten. “Wie niet pent, zal niet eten”, prevel je, terwijl je dan maar herformuleert wat je jaren geleden te berde bracht, gelardeerd met vlotte citaten en antagonistische Trump-tweets.

Dat is ook de reden van zo’n fietsrit. Wellicht komen we dingen tegen die zich juist zo lang voor noemenswaardig laten houden, dat een kort stuk prosa erover lang en breed af is alvorens ze hun betekenis weer verliezen. Dingen die inspireren tot minder quasi-filosofisch geneuzel en meer liederlijkheid.

Prikneus Wiebes zal de neus voor me ophalen, dat ik op m’n 39e op zoek ga naar liederlijkheid in plaats van onbelaste dividenden, maar dat is me bien égal.

Ronde van Nederland 1 werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org