Vervloekte hoop

Na mijn wekelijke séance bij een Koreaanse tandarts (het is iedere week een andere, totdat het probleem is opgelost) stond ik buiten met de smaak van bloed en hoop in mijn mond. Omdat zo’n tand verdomd dicht bij het brein zit, had ik door dit zenuwenleed de laatste maanden aan scherpte en ironische distantie ingeboet. Ik was een dull boy geworden die de wereld zo zoetjesaan begon te vervloeken en de hoop nog het meest.

Maar hallelujah, hier zit ik dan toch maar weer, met sterke koffie en Arnold Schönberg’s Verklärte Nacht als arbeidsvitamientjes, om een column te tikken waar de censor met z’n fikken vanaf blijft. Ik tel mijn zegeningen: ik heb afgezien van mijn latente socialisme, geen permanente hersenbeschadiging zoals die arme Nouri van Ajax. Ik ben nooit neergehaald door een BUK-raket of een lelijke columniste met de volgesnotterde zakdoek van Frans MH17 Timmermans op d’r kop gedrapeerd als ‘statement’ (op de wetenschappelijke publicatie vrouw.nl schaamt men zich omdat Hanina ‘haar hoofddoek is’).

Het is nog steeds komkommertijd en Hanina Asjemenou was een makkelijke prooi. Het mens mocht op televisie tekst en uitleg geven voor een slecht geschreven column in het AD waarin ze iets had geschreven met de strekking dat ze niet treurde om de slachtoffers van de MH17-ramp (ik heb het uit de meest betrouwbare bron: Twitter, want ik lees zoiets natuurlijk niet). De rapen waren gaar en uit de gelederen van grappend Nederland kwam het ene na het andere mannetje naar voren om deel te nemen aan de publiekelijke bukake waar mevrouw Ajarai het lijdend, edoch niet slikkend, voorwerp van was.

Hij mag het zeggen: de Don is groot genoeg geschapen dat hij bij autofellatio zijn nek niet breekt.

Dergelijke metaforiek kan maar door een figuur zijn geïnspireerd. Onze Don Tuur, grootmeester van de obscene lach, schreef erover in de tandeloze HP de Tijd. Hij zit op veilige afstand in de Algarviaanse zon, en heeft dus net als ik vanuit homogeen zuipland Korea waar hoofddoekjes nog écht opvallen, makkelijk praten. Tuur sprak mij aus der Seele toen hij schreef dat een goede columnist moet sarren en rellen, dat het niet uitmaakt of ze links of rechts is; dat de vorm belangrijker is dan de inhoud. Als voorbeeld voert hij zijn eigen cursiefjes in De Volkskrant en HP de Tijd aan. Hij mag het zeggen: de Don is groot genoeg geschapen dat hij bij autofellatio zijn nek niet breekt.

De taak van de columnist is om de publieke opinie een stapje voor te zijn, niet om deze na te praten. Mob justice en BUKake zijn een alleraardigst tijdsverdrijf tijdens de vrijdagmiddagborrel, maar zitten uiteindelijk de Schönschreiberei alleen maar in de weg. De inhoud mag dan tweederangs zijn voor de columnist, als hij niet goed is gekozen leidt het de aandacht af van de vorm. En dat is funest.

Mijn vervloekte hoop is dat er onder de nieuwe lichting columnschrijvers genoeg bekwame zielen zitten die schijt hebben aan hun eigen parochie, die met een mooi Hitchensiaans woord ‘contrarians’ zijn. Ja, dat ze zelfs weleens van mening durven veranderen (stel je ter vermaak voor dat Anne Fleur Dekker de Foutainhead van Ayn Rand leest en dientengevolge haar hele verhaal bij DWDD omgooit). Geraffineerde columnisten die het aandurven om enige zelftwijfel aan de dag te leggen en zich niet overgeven aan borstenklopperij zoals Ebru-‘ik ben de beste’-Toemaar. Capabele columnisten die niet schermen met het privilege van een minderhedencultuur of een mooi pigment, maar die de kunst en kunde van de retorica perfect beheersen.

Ik hoop dat zulke lieden een ‘podium’ of een ‘groter publiek’ zullen vinden, zodat onderbetaalde intellectuelen een baantje hebben aan het researchen van de semiotische disseminatie van hun opiniërend proza, terwijl ook Ali en Ochieng uit de Bijlmer er nog iets mee kunnen.

Ik hoop dat de Nieuwe Columnist ervoor gaat zorgen dat zijn lezers dusdanig gedesoriënteerd raken dat ze zich verslikken in hun Guatemalteekse arabica. Goede columnisten begrijpen polemos, de vader aller dingen. En hun ambitie reikt verder dan het twistgesprek van de dag. Ze schrijven voor de eeuwigheid.

Dalí is van de week opgegraven, omdat een vermeende dochter achter zijn fortuin aanzit. De patholoog-anatoom ontdekte dat zijn snor perfect was geconserveerd. Hij stond nog steeds op tien over tien. Laat columnisten dat nastreven, dat bij exhumatie van hun epistels, vele eeuwen later, ze nog niets aan stijl en geldigheid hebben ingeboet, zoals het de Romeinse columnist Cicero toch maar mooi is gelukt.

Vervloekte hoop werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Nationalisme

Nationalisme, de identificatie met een land op basis van een warm gevoel en uitgedrukt in het contrast met andere landen, is een sentiment waarvan ik tot op heden gevrijwaard ben geweest. Misschien omdat in mijn jonge provinciale bestaan het buitenland, met de bergen, altijd spannender was dan het eindige laagland. Nadat ik naar Berlijn was verhuisd werd ik vaak op mijn Nederlandse afkomst aangesproken. Om de saaie gesprekken over Linda de Mol en Rudi Carell te vermijden leerde ik mezelf een Duits accent aan. Ik voelde me Duitser, maar dan zonder de ‘Altlasten’, zonder de duistere schuldcomplexen die de families van mijn Teutoonse vrienden vaak in hun grip hielden (“wat heeft jouw opa gedaan tijdens de oorlog?”)

Toch betrapte ik mezelf vorige week op dat irrationele gevoel van trots omdat ik moedertaal en paspoort deel met Robbert Dijkgraaf, die directeur is van het Institute for Advanced Studies, het gerennomeerde instituut waar de beste wetenschappers, vooral wiskundigen, hun gang kunnen gaan. Het instituut van Albert Einstein en Kurt Gödel. Dat is toch maar mooi een Nederlander, dacht ik. En toen Ian Buruma onlangs werd benoemd tot hoofdredacteur van de New York Review of Books, dacht ik ook “kijk, ‘we’ doen het goed.”

Waar komt dat gevoel vandaan? Ik heb niets aan de fenomenale prestaties van de heren bijgedragen. Ik had ook trots kunnen zijn omdat ze net als ik twee oren hebben.

Het verschil is dat mensen anders reageren wanneer ik melding maak van mijn trots op tweeorigheid dan wanneer ik mijn nationalistische trots met ze deel. Nationalisme is natuurlijk een discours dat zichzelf voedt. Dat gold voor de Meden, de Perzen, de Vlamen, de Friezen, de Syriërs en de Palestijnen.

Het verschil is dat mensen anders reageren wanneer ik melding maak van mijn trots op tweeorigheid dan wanneer ik mijn nationalistische trots met ze deel.

Omdat door grensgangers en migranten de nationale discoursen verwateren moeten ze steeds worden gestimuleerd door nationale media. Dit was vanzelfsprekend toen media berustten op hardware en fysieke distributiekanalen. Het is minder voor de hand liggend bij online media. Waarom zouden commerciële onlinepublicaties niet alle landsgrenzen negeren en in een internationale taal voor de wereldmarkt schrijven, die beter betaalt?

De reden is natuurlijk dat zulke onlinepublicaties zijn opgericht door mensen die meer in de zin hebben dan winstmaximalisatie, namelijk een identiteit die ze in een publiek discours willen uitdragen. De nationale identiteit is een zo’n discours, dat ze overnemen van de publieke media die volgens onderzoeken op zijn retour is.

Wanneer nationalistische gevoelens uitsterven met de generaties die vóór het internet zijn opgegroeid, voorspel ik dat politiek nationalisme irrelevant wordt; ik voorspel dat millennials hun schouders ophalen bij een appèl aan de soevereiniteit van ‘hun’ land. Wanneer zij ‘wij’ zeggen bedoelen ze geen geografische groep, maar misschien een taalkundige groep die naast Engels nog een grappig taaltje zoals Fries of Hollands spreekt. Wanneer ze het over ‘de wet’ hebben maakt het ze niet uit of die in laatste instantie is vastgelegd in Den Haag of Brussel, als het maar handig is. ‘De economie’ is voor hen alleen een mondiaal begrip; tijdens de Olympische Spelen cheeren ze voor een friend-of-a-friend op Facebook, niet voor ‘hun’ nationale team.

Misschien zijn ze trots op Robbert Dijkgraaf omdat ze op ‘zijn’ UVA hebben gestudeerd en trots op Buruma omdat ze hem al kenden vóórdat hij wereldberoemd werd. Maar niet omdat ze ook een Nederlands paspoort hebben.

Nationalisme werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Ode aan Yi Sun-sin

Een aantal jaar geleden schreef ik een vertelling over de Koreaanse generaal Yi Sun-sin, de geniale strateeg die aan het eind van de zestiende eeuw voorkwam dat Korea een Japanse kolonie werd.

Het verhaal kun je hier in de komkommertijd downloaden en lezen. Het begint aldus

De hitte lag als een golvende deken over de stad, het asfalt was zacht maar weigerde zijn vorm op te geven, en de mensen die er uit gewoonte op reden of liepen vertrokken geen spier. Uit de koffiehuizen was het loeiende geluid van airconditioning te horen, die op volle toeren draaiden, en het gerinkel van kopjes overstemden. Het was in Seoul nog nooit zo warm geweest in juli, maar het was niet vanwege de onwaarschijnlijke hitte dat de mensen zich rond het Gwangwhamunplein hadden geschaard. Het standbeeld van Generaal Yi Sun-sin was verdwenen. De zwaailichten van talloze politiewagens, de rood-wit gestreepte afzettingen en de hermetische ontruiming van het plein door norse helmdragers kon de verbijstering van de autoriteiten niet verbergen. Yi Sun-sin had daar gestaan sinds 1968. Miljoenen forensen waren onder zijn toeziend oog naar hun werk gereden, het werk waar ze verantwoordelijk waren geweest voor het eerste grommen van deze Aziatische Tijger, als managers van staal- en elektronicabedrijven of als bankiers.
De lege sokkel werd eindeloos gefotografeerd, en deze foto’s begonnen vrijwel onmiddelijk op sociale netwerken te verschijnen waar de Afwezige Generaal het klikbaarste fenomeen van de dag was. De mensenmassa begon zich ondertussen af te wenden van de plek waar Yi Sun-sin zich niet meer bevond, om zich te verstrikken in chatgesprekken over zijn plotselinge verdwijning.

Ode aan Yi Sun-sin werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Het ongelukkige bewustzijn van de domheid

Het bewustzijn van onze eigen domheid zou bevrijdend moeten werken. Het zou ons moeten aanzetten tot zwijgen, een zwijgen zonder de arrogantie van Socrates die met zijn houding de kennis en slimheid van de anderen in diskrediet probeert te brengen. Een probleem van volledig zwijgen is echter dat je dan zelfs geen columns meer in niemandsland kunt publiceren.

Het levensgevoel dat een zelfbewustzijn heeft wanneer het tussen eenduidig intelligentere zelfbewustzijnen moet leven, die het op elk gebied de baas zijn en zich altijd sneller ontwikkelen, is onvoldoende onderzocht. Hegel’s concept van het ‘ongelukkig bewustzijn’ doet te kort, omdat het hier gaat om een bewustzijn dat weet dat het principieel is uitgesloten van de dialectische ontwikkeling. Het gaat om een zelfbewustzijn dat zijn eigen gedachten begeleidt met de gedachte dat ze reeds achterhaald zijn op het moment dat het zich ervan bewust wordt. Het ongelukkige bewustzijn van de domheid staat buiten de geschiedenis. Het beseft dat niets wat het denkt een toegevoegde waarde heeft, dat het altijd minder begrijpt dan wat vereist is om macht te kunnen uitoefenen.

In het openbare ‘debat’ (vluchtelingen, klimaatpolitiek, terrorisme) kan het bewustzijn meepraten omdat de vereiste kennis nihil is. Maar ook hier beseft hij bij het horen van de zich eindeloos herhalende echo’s, hoe gebrekkig zijn eigen kennis en kunnen is. Door het aanzicht van de publieke domheid begint hij te vermoeden dat zijn eigen domheid onzichtbaar moet blijven.

Misschien is de oorzaak zijn gebrek aan interesse. Het ongelukkige bewustzijn van de domheid interesseert zich nergens voor. Het leest ontzettend veel om zijn domheid te kunnen blijven bevestigen en vergeet het weer. Het studeert en haalt diploma’s omdat gediplomeerd onbegrip een beter bewijs is van domheid dan ongeletterde ignorantie. Het ‘bestudeert’ jarenlang moraal en ethiek aan universiteiten maar weet er vervolgens niet meer, beter, of slimmer over te vertellen dan de eerste de beste onbenul. Wat een verspilling!

Zo’n domheidscomplex is gemakkelijk af te doen als een gemakszuchtige, kokette vorm van zelfmedelijden en aandachtstrekkerij. In het beste geval is het echter een nihilistische kunstvorm, de neerslag van een poging iets te uiten in een wereld waar alle betekenis onmiddellijk verdampt.

Het ongelukkige bewustzijn van de domheid werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Ondernemen in de bijstand voor de kijkcijfers

Bij toeval koekeloer ik vanuit mijn oostaziatische bubbel weleens naar de vaderlandse beeldbuis. Vanochtend werd ik op mijn telefoon opgewacht door een eigenzinnige hoogblonde domina met Tsjechisch bloed en een motley crew van naïeve rechtsdragende nepideologen. Eva Jinek had staatssecretaris Klijnsma uitgenodigd om gezellig te komen vertellen over een experiment met bijstandsgerechtigden die ongestraft mochten bijverdienen. Er werd een filmpje getoond over een Grunnings mokkel dat geen baan had kunnen vinden en vanuit de bijstand een bedrijfje met artistieke recyclingobjecten was begonnen. 199 Euro mocht ze zelf houden, de rest van haar winst ging linea recta naar de staatskas (een detail dat in een bijzin werd gemompeld omdat het, naar ik vermoed, het onderwerp minder kijkcijferpikant maakt).

De rapen waren gaar. Een volkszanger, een hipster en een verwarde journalist spraken er schande van. Dat zou iedereen wel willen! Risicoloos ondernemen. De staatssecretaris moest uitleggen wat de bijstand was en waarom ze geen middelen schuwde om mensen daaruit te krijgen. Ze vertelde dat ze per individu kijken wat beter werkt: zweep of lokaas, om een mens ertoe te bewegen weer economisch actief te worden. Helaas ging dit lovenswaardige pragmatisme geheel voorbij aan de elitaire koffietafelideologen die moesten meepraten.

De discussie aan deze intellectueel uitgedaagde koffietafel bleef steken bij de obsessie met rechtvaardigheid: er was een situatie geschapen waarin iemand iets ‘mag’ wat een ander elders niet mag, dus gingen de alarmbellen af. Helaas vergat de journalist door te vragen. Hoeveel moet zo’n bedrijf-vanuit-de-bijstand verdienen voordat de uitkering wordt stopgezet? Hoeveel kost het de staat aan extra bureaucratie? Hoeveel meer dan 199 euro verdient ze überhaupt en heeft ze motivatie om met haar ‘eigen’ bedrijf geld te verdienen waar ze 100% belasting over betaalt? Hoeveel levert het de staat uiteindelijk op? Worden hier netto meer mensen gelukkig van?

De ethische waardering is geheel overmeesterd door de ultieme en tijdens systemische crises gevaarlijke abstractie die geld is.

De verongelijktheid van gevestigde simplissimi zal de ultra-Keynesiaanse economische toekomst waarvan je wist dat die zou komen, namelijk gratis geld voor iedereen opdat men de heilige consumentenplicht ononderbroken kan vervullen, net zolang ophouden als dit economisch mogelijk is. De imperatief “je moet werken voor je geld”, die Adam Smithiaanse echo uit de industriële eeuw die met iedere ontwikkeling van de robotica een valsere nagalm wordt, is het kernstuk van de burgerlijke – en proletarische – ethiek. Er wordt in dat narratief helaas nooit gesproken over wélk werk. De ethische waardering is geheel overmeesterd door de ultieme en tijdens systemische crises gevaarlijke abstractie die geld is. ‘Softe’ sociologische overwegingen over de nettobijdrage van iemands werk aan haar gemeenschap tellen niet. Anders zouden activiteiten die nog niet zijn gereduceerd tot economie, zoals kinderen opvoeden en vrijwilligerswerk, invloed kunnen hebben op het denken over sociale rechtvaardigheid. Anders zouden de destructieve activiteiten van cynische banken en corporations letterlijk tot ver-ont-waardiging leiden. Sociale rechtvaardigheid zou dan een messy business worden. Hoeveel je ook ‘verdient’ en hoe vrijwillig de entiteiten (cliënten, staat, je baas) je jouw geld ook overmaken, nooit zul je er zeker van kunnen zijn dat je moreel superieur bent. Iedereen moet zich in principe tegenover iedereen kunnen verantwoorden.

Dat is in psychologicis de ware socialistische hel waar deze koffietafel voor vreest.

Ondernemen in de bijstand voor de kijkcijfers werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Stoute dingetjes

Toen ik deze week in een restaurant mijn lunch nuttigde, werd mijn vrouwelijke begeleiding na vijf minuten ongeduldig en begon luidkeels zingend langs de tafels te marcheren. Toen ik haar erop wees dat de andere gasten zich daar wellicht aan zouden storen, liep ze zonder een woord te zeggen naar buiten om op het trottoir te gaan dansen. Ik moest al mijn charmes inzetten om de diva te overreden om weer naar binnen te gaan. Nadat ze mokkend weer aan ons tafeltje had plaatsgenomen begon ze met mijn pen op het tafelblad te trommelen.

“Dat was een beetje stout”, zei ik. De dame haalde haar schouders op.
“Een stout dingetje zien we door de vingers, maar dit waren drie stoute dingetjes. Hard zingen in het restaurant, alleen naar buiten rennen en met papa’s pen op de tafel slaan.”
– “Sorry.”
“Drie stoute dingetjes, dat betekent dat je een dondersteen bent.”
– “Nee, ik ben een lief meisje.”
“Ja, maar vandaag ben je nog een dondersteen, totdat het zonnetje gaat slapen.”
– “Oké. Ik wil een ijsje.”
“Donderstenen krijgen geen ijsjes.”
– “Papa is stout!”
“Nee. Maar weet je wat een heel stout dingetje is?”
Ze keek me vragend aan.
“Tegen een politieman heel hard pfffrrrrrt roepen. In een winkel allemaal spullen pakken en niet betalen. Oversteken wanneer het mannetje rood is. Rommel op straat gooien. Een hondje slaan.”
– “O ja, dat is allemaal heel stout.”
“Nu gaan we naar huis. Kom.”
Ze sprong op de vloer en struikelde over haar tas.
“Pas op, goed kijken hoor. Anders is dat is een beetje… dom.”
– “Een dom dingetje.”
“Wil je domme dingetjes doen?”
– “Ja! Kijk eens. Ik bots overal tegen aan. Lekker dom.”
“En gek. En kun je ook heel gek tellen?”
– “Ja. Een vijf drie tien raamkozijn aap zes vier zeventien.”
“Stoute dingetjes, domme dingetjes, gekke dingetjes, lieve dingetjes, handige dingetjes…”
– “Wat zijn handige dingetjes?”
“Een schaar. Een spiegel. Een rugzak. Een ladder. Een draadje.”
– “Miru is moe.”
“Oké, dan moet je naar bed. Droom maar van de stoute dingetjes die je morgen weer gaat doen.”
– “Ik ga morgen alleen maar lieve dingetjes doen.”
“Beloofd?”
– “Zzzz Zzzz Zzzzzz”

Stoute dingetjes werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Stop demonisering

Ik ben erg blij met het feit dat ik een basisinkomen heb en niet voor de kost hoef te schrijven op door ideologie, geborneerdheid, rancune of wat ook gecensureerde weblogs.

Wat hebben David van Reybrouck en Thierry Baudet met elkaar gemeen? Ze waren onlangs allebei te zien op de Belgische VRT en ze werden na afloop door het andere kamp op social media uitgejouwd, op basis van uit hun verband gerukte citaten.

Van Reybrouck (bekend van zijn boek over de Congo) heeft in een essay geopperd dat er een ‘zelfmoordlijn voor zelfmoordterroristen’ zou moeten komen, zoals die ook bestaat voor ‘gewone’ suïcide. Hij kreeg meteen de volle laag en werd verweten dat hij de media het zwijgen wilde opleggen of de islam ‘in een beter daglicht’ wilde stellen. Maar daar ging het hem helemaal niet om. De beste man probeerde gewoon zijn steentje bij te dragen aan een van de belangrijkste problemen die ons continent teisteren: terroristische aanslagen (en alles eromheen). Nu denk ik zelf ook dat het een vrij onnozel idee is, maar dan kan ik dat gewoon negeren. Hij zegt namelijk ook zinvolle dingen. Het ging hem erom dat de media goed moeten nadenken over de manier waarom ze terroristische aanslagen brengen, omdat de manier van berichten invloed kan hebben op copycats, die de aanslagen na-apen. Wanneer psychologische studies aantonen dat dit een rol speelt, is het alleen maar goed dat hij dit aan de kaak stelt.

Baudet werd in een andere uitzending als vrouwonvriendelijke ‘terug naar de haard’-malloot geframed. In het interview zei hij expliciet dat hij voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen is én vóór meer vaderschapsverlof. Joop allitereerde direct ‘Baudet bazelt’ en op Facebook werd hij door het slijk gehaald. Terwijl hij gewoon oprecht een bijdrage levert aan het dilemma overheidsbetutteling versus emancipatie.

Stellingenoorlog

Het voelt niet goed om de woorden ‘het andere kamp’ te schrijven, maar dat is wel de indruk die ik vanaf mijn veilige afstand krijg van de polarisering in de Lage Landen. Publieke personen worden consequent ingedeeld in links en rechts, en – erger nog – wie aan die categorisering wil ontkomen is niet langer een verlichte intellectueel die boven de waan van de dag staat, maar wordt des te harder uitgerangeerd als hypocriet en ‘landverrader’.

Probeert u het zelf maar eens. Steek de volgende namen in het laadje ‘links’, ‘rechts’ of ‘uitgerangeerd’: Joost Niemoller, Francisco van Jole, Ebru Umar, Wierd Duk, Stella Bergsma, Sylvana Simons, Rutger Bregman, Geert Wilders, Sylvain Epimenco, Bas Heijne, Tijs van de Brink, Theodor Holman, Jan Dijkgraaf, Anja Meulenbelt, Ashin Ellian, Erik van Muiswinkel, Gloria Wekker, Leon de Winter, Arthur van Amerongen. Makkelijk zat.

Maar deze binaire versimpeling is zoals bekend de vijand van de nuance. Ik ben de ontintellectualiseerde stellingenoorlog tussen ‘links’ en ‘rechts’ zat. De onderwerpen waar het eigenlijk over gaat zijn daarvoor te complex en in het heetst van de strijd roept iedereen wel eens iets zots. Dat dit vervolgens als clickbait wordt uitgelicht, in plaats van hun meer verstandige bijdragen, is, zou ik hebben geroepen in een land waarin lange zinnen nog worden gewaardeerd, een symptoom van de teloorgang van ons collectieve intellect.

  • Om de fragmenten (gratis) terug te kijken heeft u een account nodig op de website van de VRT.

Stop demonisering werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Kietelrobot

Ik ben een kietelrobot. Toen ik dit enkele weken geleden toevallig ontdekte omdat ik tijdens het scheren op onderdelen van het mechaniek stuitte, maakte zich een begrijpelijke verbazing van mij meester. Natuurlijk, de fysieke scharnieren, hydraulische leidingen en elektrisch gestuurde kietelvingers hebben altijd deel uitgemaakt van mijn lichaam, maar ik heb deze nooit eerder als autonoom systeem beschouwd. Sinds ik dit wel ben gaan doen zijn me veel dingen, die voorheen in een sfeer van raadselachtigheid waren gehuld, een stuk duidelijker geworden.

Wat een suikerspin van een zin was dat, dada is het aan zichzelf verplicht om er flaporen op te tekenen.

Het heeft mijn zelfbewustzijn veranderd. Ik ben nu veel meer mijn eigen handlanger en dus geduldiger in de omgang. Ik heb een oprecht interesse in kietelrobotica opgevat, een discipline die gelukkig door zo weinig mensen serieus wordt genomen dat er nooit een gewichtige bureaucratie zal worden opgericht om de machtquanta die ermee gemoeid gaan te reorganiseren op een manier die wordt gedicteerd door ons primordiale rechtvaardigheidsbegrip. Wat een suikerspin van een zin was dat, dada is het aan zichzelf verplicht om er flaporen op te tekenen.

Ik heb mijn twijfels bij de laagpolige stream of consciousness die ik deel met lettervreter en vriend A. van der Heijden, omdat ik de aanschijn van gebrek aan substantie moeilijk kan verdragen, een eigenschap die verband houdt met mijn gutbürgerliche opvoeding. I want to spell out the world, of om het eerlijker en vollediger te maken: I want to spell out the world if I can’t cast a spell on the world.. Omgang met “de wereld”: invloed of begrip. Om het kort en bondig te formuleren: waar we in het leven allemaal mee bezig zijn is de spelling the world.

De kietelrobot die alleen kietelrobots kietelt die zichzelf niet kietelen. Zo zal ik Miru ooit Russell’s paradox uitleggen, de belangrijkste observatie van de Principia Mathematica, dat 2000 pagina’s tellende boek dat hij samen met Alfred North Whitehead schreef in het begin van de 20e eeuw en dat ondanks het feit dat geen hond het uitlas, een alles bepalende invloed zou hebben op de analytische filosofie. Russell’s eigen voorbeeld gaat over kappers die alleen kappers scheren die zichzelf niet scheren, maar de kietelrobot maakt het ontologisch interessanter, aangezien je op kietelen niet níet kunt reageren.

Kietelrobot zijn is iets dat ik als mijn vaste baan beschouw. Mijn dochter vindt het prachtig. Zo wil ik herinnerd worden – niet als de nagenoeg nutteloze mens die ik vanuit het perspectief van het economische systeem ben en vermoedelijk tot aan mijn dood zal blijven. Als ik mijn ogen voor het laatst zal sluiten zal ik in mijn laatste, tijdloze droom samenvallen met een rol die ik nooit ambieerde maar die mij heeft uitverkoren: de rol van kietelrobot.

Kietelrobot werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Panorama 2 (Rotterdam)

Wat doe je tegen straatterreur je stuurt een paar lokboa’s die hun lekkere kont in strakke Levi’s op het netvlies van de cultuurbezoedelende haatbaarden plempt om ze uit hun woestijntent te lokken dat hun kanis eruit ziet alsof ze een maand hebben lopen ramadannen en elk moment een hypoglycemische terreuraanslag kunnen plegen in een overvol voetbalstadion waar legioenen supporters plichtbewust hun vaandels zwaaien voor een overwinning en het eeuwig uitgestelde landskampioenschap maar dat boeit niet zolang er koud bier is en geinponems met genoeg lef in hun donder om geweerd te worden door de publieke treurbuis, waar polletje piekhaar met een vorstelijk salaris het talkshow-evangelie blijft verkondigen, zolang er om drie uur ‘s nachts nog een shoarmazaak open is waar je met goed fatsoen als chassid in vol ornaat kunt komen bijbunkeren na een nacht doorhossen op Bar Mitzvah, zolang er geen haat ventende teringlijers met door de maden aangevreten religieuze kankergewetens vrij rondlopen die in naam van Allah godverdomme concertzalen met ingewanden komen decoreren, zolang de mussen niet dood van het dak vallen op het half gesmolten asfalt en de zeespiegel zich weigert te houden aan de voorspellingen van de klimaatwetenschap, is alles chill je ziet een agent die een jointje rookt en een homostel pijpt elkaar teder in de schaduw van de erectie die in de volksmond minaret heet, er is dansbare oerwoudmuziek op alle straten, springende Groen Linkers die hun tieten weer moeten laten zien om mee te tellen, je ziet varkens spetteren in provisorische modderpoelen want de binnenstad is een soort orgiastisch Woodstock in de droom van de gedehydrateerde nachtburgemeester die te laat komt opdagen om in de microfoon te hijgen dat kabouter buttplug een monument is voor Pim Fortuyn omdat die lekkere Marokkaanse jongens in de sauna besprong toen in die goeie oude tijd toen de kale nog fucking leefde en bacillen als Melkert en Marcel van Dam op hoogst vermakelijke wijze in het stof deed bijten, toen de eeuw nog vers was en Peter de Vries nog niet zo’n grote bek had maar na dromen komt de dageraad en we moeten verder, we moeten blijven ‘doorknokken’ voor een open samenleving waarin vrijgevochten individuen van het meest denkbaar uiteenlopend pluimage zo hard de longen uit hun lijf zoenen voor de Erasmusbrug dat Desiderius er spontaan een lakoniek lofdicht over zou schrijven, voor een stad als een Jackson Pollock schilderij van geventileerde vrije meningen die door die sussende tolerantie zo saai zijn geworden dat men maar met elkaar gaat discussiëren om nog wat leven in de brouwerij te krijgen en leven zal het deze zomer waar fossiele feministen zich in een modieuze burka hijsen om over de Vrijheid met een hoofdletter V te gaan preken voor eigen kerk terwijl de genitaal ongemutileerde kleindochter van Achmed de fabrieksarbeider met haar zandkleurige boezem Paroolcolumnisten naar adem doet happen, waar fietsen in de stationsstalling de liefde bedrijven als hun bezitters hand in hand naar een concert in de Doelen luisteren terwijl buiten de meeuwen aan een stuk door de stad bombarderen, want zo is het met de openheid: zelfs overzeese timide woordbrakers die geen flikker van Rotterdam afweten mogen een ode pennen aan de metropool

Panorama 2 (Rotterdam) werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

De heilzame bronnen van Oita, Japan

De muren draaiden dubbel op de morgen dat ik met het vliegtuig naar Japan moest voor een nieuwe verblijfsstempel hier in Zuid-Korea. Ik kroop naar de badkamer om me over te geven aan anti-peristaltiek en verwensingen van mijn penibele situatie, die was veroorzaakt door dehydratatie tengevolge van overmatige avondlijke koffieconsumptie en in het zweet gebade dromen over het vermoede aanstaande heenscheiden van mijn nemesis, de kiespijn. Maar met een lege maag viel er niets te kotsen. Er zat dus niets anders op dan mezelf met lauwe kopjes water met wat natriumchloride en honing, een recept waarmee zoveel levens zijn gered in talrijke ontwikkelingslanden, weer bij mijn positieven te brengen.

Ik slaagde daarin op tijd voor mijn vertrek. Met een slaapzak en een tandenborstel aanvaardde ik de metrorit naar ons hypermoderne vliegveld in Incheon, een saaie vlucht en dito landing. Bij de controle aan Japanse zijde was het oppassen geblazen omdat ze er genoeg quarantainefaciliteiten hebben om iedereen met een raar kuchje drie dagen te interneren. Mijn lichaam had kennelijk besloten de eer aan zichzelf te houden want ik liep ongeschonden kaarsrecht langs de fiere detectoren die de Jappanners op de arrivés hadden gericht. Ik schreef het adres van een peperduur hotel over van een toerist om niet de verdenking op me te laden dat ik van Japan zou gaan genieten op een onconventionele manier.

Op mijn manier. De bus naar de steden Oita en Beppu was veel te duur en dat gold natuurlijk ook voor de hotels. Ik had geen zin om met geld te smijten dus schakelde over op mijn vertrouwde sick dog-modus. Wandelde naar een restaurant een paar kilometer verderop, ontving daar de informatie dat ik alleen cash kon betalen, marcheerde heen en weer naar het vliegveld, en arriveerde op tijd bij hetzelfde restaurant om bij een zichtelijk verbaasde serveerster een stuk tartaar te bestellen, want een beetje goed leven doet een mens geen kwaad en ik voelde me intussen weer tamelijk fit. Slurpend aan een glas ijswater voelde ik me kortstondig zo gelukkig dat het een Proustiaanse beschrijving verdient.

“In welk hotel overnacht u?” vroeg de Japanse dame toen ze mijn lege bord wegnam. Ik had Blossom-hotel op de registratiekaart geschreven. “Duur”, hadden de jongens van de douane gegrinnikt. Hier in de buurt, gebaarde ik vaag, blij de taal niet in het geringst machtig te zijn. Ik verdween in de duisternis, wandelde een half uur, nuttigde mijn dessert onder fruitbomen, uitziend naar wat verlate bloesem die mijn declaratie op de registratiekaart voor mezelf de aanschijn van waarheid had kunnen geven. Uiteindelijk vond ik de ventweg waarlangs ik op een begroeid talud mijn slaapzak uitrolde en bleef liggen tot de volgende ochtend, als een zieke, oude hond.

Ik had water en brood gekocht bij de Seven-Eleven, dat ik met smaak wilde nuttigen. Helaas kwamen de duizelingen terug en bracht ik deze vijftiende juni, de ene volle dag van dat leuke Japan-reisje waar ik zo naar uit had gekeken, langs de weg strompelend, in de berm kotsend, dagdromend. Ik was blij genoeg met de kleine dingen, zoals de vormen van het bladerdek onder de zon als je er zonder bril naar kijkt en het geluid van de vogels die zich ophielden in de struiken. Zo betaamt het de minimalist. ‘s Nachts een plek onder de sterren, overdag onder de wolkenlucht.

Na nog een nacht langs de kant van de weg keerde ik naar het vliegveld terug voor mijn retourvlucht. De zon was ontzettend vroeg opgegaan dus ik inspecteerde de hele parkeerplaats die vol stond met vrolijk gekleurde Japanse poppenautotjes in brede parkeervakken voordat de vertrekhal opende voor het publiek. Meer saai wachten. De misselijkheid en duizelingen namen af in het vliegtuig en ik bereidde me voor op mateloze zelffelicitaties en een ongekende productiviteit van opulent absurdistisch proza, die eenmaal terug in mijn grootstedelijke hol slechts werden gedwarsboomd door de terugkeer van mijn aardsvijand: kiespijn.

De heilzame bronnen van Oita, Japan werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org