Licht

het licht botert mijn kamer in
vormloos, geestloos. lumineuze snot.
apatisch licht, dat vermoeid reikt
tot in de hoeken van mijn werkvertrek

toch is het licht dat van buiten komt
Platonisch licht: licht genoeg om alles
te moeten zien maar niet om gezien te worden

melkig tralielicht dat walmt van inertie
licht van een oud kantoor. tijdloos,
anemisch licht, zwijgend licht

wolkenlicht, ongeschikt om in te vrijen
redactiekamertjeslicht, plastic licht
in een service-apartement, doodslicht
dat verveeld bij ons naar binnen gluurt

Afbeelding Wikipedia

Licht werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

toen ik ouder werd

tot al mijn werk onbeduidend was, en zinloosheid mijn ritueel
heb ik geloofd in een soort accumulatie van betekenis, we
waren allemaal aan het zoeken naar een punt in ons leven
bij voorkeur te vinden nog voor het intreden van de dood
waar alles samenvalt, en we de tijd opgeheven ervaren
dat hele romantische gesodemieter dus, die zoektocht
naar een oneindige bron die voor ons klapt en klatert

ooit was ik haar begonnen, omstreeks de ontketening
van mijn jeugdige overmoed, het ging toen nog
om het moment dat ik mijn handen sluitend zou houden
om prachtige warme borsten die ik kende van de plaatjes
later toen het besef was ingetreden dat zulke
omronding tot de nietszeggende ijdelheden behoort,
waar het een volwassen mens om te doen behoort te zijn,
zou ik dus aan substitutie moeten zijn gaan doen.
ik zou het summum hebben moeten transfigureren
in een beklommen bergtop, een dichtersprijs,
of vijfhonderdduizend euro. Maar ik heb verzuimd
en ben nihilist geworden.

En het zijn gouden tijden voor nihilisten!
iedereen is altijd druk en werkt ergens naartoe
maar vraag eens een paar iteraties door naar hun waarom
en vergeefs zul je wachten op een ootmoedige glimlach
ze slaan je als verrader aan de martelpaal
maar genoeg daarover, nihilisten hebben het zoals gezegd
beter dan ooit. Op iedere straathoek staat wel iemand
iets te verkondigen dat zo grotesk is dat hij er zelf gewoon
niet in kan geloven. Zijn boodschap wordt dus hoe fanatieker
hoe nihilistischer. En dat stemt mijn nihilistenhart tevreden.

Om een misverstand uit de weg te ruimen: ik ben niet vies
van betekenis. Om mee te kunnen doen stoot ik ook klanken uit
en men weet dat je de betekenis daarvan niet zo gemakkelijk wegmoffelt.
Hoe meer betekenis, hoe beter het is voor de nihilist, die scherper ziet
dat die betekenissen corresponderen met niets. Dus ben ik ook actief
begonnen met het creëren van betekenissen. Het zijn schaduwloze
gevels in een koude stad, waar kleine kinderen langs omhoog kijken
om de pijn te voelen in hun nek. En de nihilist heeft het voordeel
dat ze dodelijk vermoeid in zijn schoot vallen terwijl de anderen
met een vlindernetje op ze jagen.

Al dat zijn onzinnige beelden waar de nihilist hard om moet lachen.
Soms wil ik zelf mijn straathoek opeisen en daar, net als de anderen,
ook iets met tekst gaan doen. Maar ik zou dan tenminste de waarheid
kennen en ‘s avonds verliefd op mezelf zijn in een poel van voldoening.
Soms wil ik ook de mooiste sopraan horen zingen dat er geen hoogste waarde is
en daar later met haar op drinken, haar verleiden tot de identiteit van de nacht.

O muze, o minst betekenisloze, o laatste stem die sterft in dit beeld

toen ik ouder werd werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Ik ben geen expert, maar…

Het is een gratuite observatie: iedereen met een mening over Syrië, gifgas, Putin en Trump weet het beter dan alle anderen. Bij gebrek aan betrouwbaar bronnenmateriaal waar iedereen het gewoon over eens is (aan de millennials: dat heeft écht bestaan), verwijlt de discussie slechts enkele minuten bij hetgeen als feiten wordt gepresenteerd. Onmiddellijk daarna wordt ze door de ideologische stellingenoorlog geïncorporeerd, die op de oppermachtige sociale media wordt gevoerd.

Geen mening hebben, of je mening opschorten omdat je gewoon te weinig afweet van de exacte geopolitieke machtsverhoudingen in het Midden-Oosten, de chemische eigenschappen van saringas, of de complexe motivatie van de vele rebellengroepen, is direct verdacht. Je heult dan per definitie met de verkeerde kant.

En toch is dat mijn positie. Ik weet het echt niet. Het is dus beter wanneer ik erover zwijg.

* * *

Om het aanhoudende gezeur in mijn mond tegen te gaan, slik ik vanaf eergisteren hoge doses vitamine c, uit een officiële doos die een vriendelijke apotheker me heeft verkocht. Ik hoop dat het enig resultaat gaat opleveren, want ik wil zo graag weer de oude zijn. De concentratie kunnen opbrengen voor mijn pretensieloze maar zo aangename geschrijf, actief worden, geëngageerd. Ik woon hier in een donkere kamer op de onderste verdieping, in een gezellig straatje in Seoul, niet ver van het voetbalstadion dat werd gebouwd voor de World Cup in 2002 en in tegenstelling tot zijn Braziliaanse pendant, nog steeds in gebruik is. Ik heb er vorige week met mijn vrouw en dochter de commerciële remake van Beauty and the Beast gezien. Er gaat niets boven een vierjarig dochtertje dat tegen je aan duikt omdat er levensgrote wolven en stoute meneren over het scherm razen.

Het idee, ergens te wonen en daar, op die plek, iets op te bouwen, is compleet nieuw voor me en erg spannend. Ik klink waarschijnlijk als een tamgetrouwde kleinburger die zijn ambitie heeft opgegeven voor de heilige mantel van de plicht, zo iemand die voor al zijn vrienden proclameert dat er eigenlijk niks mis is met een rijtjeshuis en dat er best af en toe een flesje bier in de koelkast mag.

Ik voelde me vandaag beroerd, vreesde dat ook het meeste van 2017 weer verloren gaat aan jengelende bek en concentratiegebrek. Maar ik bevond me ook even in een park, tijdens een i.v.m. de fijnstof hier niet onverantwoorde wandeling. Ik weet nu wanneer de bloesems gaan bloeien en ik welke kleur. In mei belooft het park een spectaculair kleurenspektakel te worden. Ik ben dankbaar dat ik daar op een bankje mag zitten en op mijn Kindle in de wereldliteratuur mag lezen, die ik op dat apparaat heb getoverd. Ik wuif, als ik dan toch bezig ben, met mijn Calvinistische digitus. We zijn met z’n allen niet dankbaar genoeg.

De toestand van Europa is als de toestand van mijn mond.

En zo lukt me dan een even elegant als onnozel columnistensprongetje terug naar de verschrikkingen in Syrië. Zullen die mensen nog ooit in hun leven een park kunnen ervaren? Zonder luchtalarm en oorlogsleed? Zonder religieus fanatisme? Ik weet het niet. Ik lees over een lastbil in Stockholm en vier doden. De toestand van Europa is als de toestand van mijn mond. De tandarts kan niet echt iets vinden, maar ik wéét dat er iets aan de hand is. Ik blijf experimenteren met pillen en pulken, ben bereid naar de meest grandioze alternatieve geneeswijzen op zoek te gaan, want ik voel hoe mijn persoonlijke zielerust exclusief afhangt van mijn orale leed.

Toch moeten de burgers van Europa eens beseffen dat ze in 2017 nog steeds veilig naar het park kunnen (statistisch gezien keert 99,9999% van de Europeanen ongeschonden terug van een wandeling in het park) – met of zonder kiespijn.

Ik ben geen expert, maar… werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Erkenneling

Publieke erkenning, iemand ‘zijn’ in het openbaar is op het eerste gezicht heel comfortabel. Je hoeft zelf niet meer na te denken over je identiteit, dat maakt de publieke opinie wel uit. Je bent iemand, in de hoofden van een heleboel mensen en alles wat je zegt en doet wordt altijd waargenomen tegen dezelfde achtergrond. Je hoeft jezelf niet iedere ochtend opnieuw uit te vinden, de verwachtingen trekken je al bij het opstaan een verhaal in dat voor je geschreven wordt. Is het daarom dat we naar erkenning streven, dat we de hondsmoeilijke opgave, onszelf iedere dag een verse identiteit aan te meten zo niet onder ogen hoeven te zien?

Het fenomeen erkenning heeft me altijd geboeid. Ik zie mensen heel blij worden omdat andere mensen een mening hebben over wat zij hebben geproduceerd. Materieel gewin alleen is een onvoldoende verklaring voor deze blijheid. Erkenning is iets metafysisch en het is oneindig verslavend. Vanaf het moment dat je een schouderklopje krijgt voor een stuk in de schoolkrant tot het moment dat je de Nobelprijs wint strekt zich een hunkerend leven uit, dat beter wil zijn dan alle anderen. Het machtswoord van de beoordelende instantie telt meer dan het geloof in een objectieve substantie die de kunstenaar, begrepen of niet, probeert te benaderen.

Op mijn sterfbed zal ik waarschijnlijk toegeven dat ik ook altijd een ‘erkenneling’ ben geweest. Ik zal een late convertiet zijn naar het enige ware geloof, het geloof dat niets betekenis heeft zonder de erkenning van anderen, dat de waarde van onze waan wordt bepaald door de waan van de anderen.

Maar zover is het nog niet. Laat me voorlopig open source schrijven, nooit ‘werkelijk’ iets publiceren omdat ik de overtuiging dat ik de daartoe vereiste kwaliteit niet haal, zo comfortabel vind. Laat me langzaam een oud kind worden, speels en zelfloos, een trillende snaar gespannen over een doodstil meer. Laat me vergeten dat complimenten de enige valuta is, en laat me het fossiel zijn van een verbeten voornaamheid, die zich zal blijven verzetten tegen de opvatting dat het immoreel is om niet voor het zo groot mogelijke geluk van een zo groot mogelijk publiek te schrijven.

De hunkering woedt ook in mij. Wat zou ik graag met een bezwete rug in een praatprogramma zitten en mijn citaatjes voorlezen uit eigen werk, een erudiete flapuit met een gebroken glimlach wanneer het louterende applaus wordt ingezet.

Het wordt laat. Ik zie vannacht niet ver. Ik denk aan de toestand van de mensheid. Wat heb ik gedaan, armzalige erkenneling, dat ik dodelijk vermoeid ben nu, de ijdelheid.. de levenslust.. de grenzen aan de taal en hoe daar de beelden, de muziek, de dans – Erkenning! Nu! Wat moet ik doen? Zeg me wat ik moet doen!

Neen. We worden tot erkenneling gemaakt omdat we leren onszelf te begrijpen als een variatie op anderen, en dat zo goed dat het oorspronkelijke begrip van onszelf verdwijnt. Neen! We mogen niet bang zijn. We moeten altijd blijven doen alsof we zo oorspronkelijk zijn, dat uitgevers, kwaliteitskranten en Humberto Tan ons niet aandurven.

Erkenneling werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

In debat met Arnon Grunberg

“In sommige, uitzonderlijke gevallen kan een doodswens worden gerespecteerd. De gedachte echter dat mensen zelf kunnen bepalen wanneer het leven voltooid is, is geen vooruitgang maar een aanval op ons beschavingsideaal. Oftewel een misverstand. Een neoliberale bezuinigingsoperatie.” – Arnon Grunberg in de Volkskrant 1/2 april 2017

Het feit dat Arnon zijn voetnoten dagelijks vanuit New York City als parelen voor de zwijnen het Nederlandse volk toewerpt mag sommigen irriteren. Ik let liever op de inhoud. Wat zou ik graag eens in debat gaan met de gevierde veelschrijver en Hollands hofnarcist van zijn retorische sokken blazen.

Neem zo’n aantekening als het citaat hierboven. Het is slordig geformuleerd: bedoelt hij met ‘het leven’, ‘hun eigen leven’? Wanneer we tegenwoordig vragen of ‘het leven’ voltooid is gaat het over de machtsovername van DNA-gebaseerd leven, inclusief homo sapiens, door wezens op basis van silicium of een ander substraat. Hij heeft in zijn intellectualistische pendant van het ‘briefje van Jan‘ Dijkgraaf geen ruimte om iets uit te leggen over ‘ons’ beschavingsideaal, en hij misbruikt het woord misverstand.

Onze Arnon respecteert de doodswens in ‘uitzonderlijke’ gevallen, en dat worden er natuurlijk steeds meer hoe beter je de individuen in kwestie kent. Als je Grunberg zou vragen of ieder mens in zijn diepste wezen ‘uitzonderlijk’ is wed ik dat hij genoeg Kloos in zijn donder heeft om dit volmondig te beamen. De ‘gedachte’ die hij hier nonchalant en tout court verwerpt, is het principe dat ‘mensen’ zelf wel even bepalen wanneer ze klaar zijn met leven. Ik denk juist dat we die gedachte moeten verdedigen, en dat de uitzondering – en de bewijslast – aan de andere kant liggen: we negeren iemands doodswens in uitzonderlijke gevallen.

Waarom? Precies vanwege datzelfde beschavingsideaal, dat Verlichting en individualisme behelst in de zin van Erasmus en Spinoza, Kant en Goethe, Voltaire en Rousseau. De fundamentele mogelijkheid om zelf te bepalen wanneer het voltooid is, zoals Joost Zwagerman dat bijvoorbeeld heeft gedaan, te respecteren als keuze is inherent aan dat beschavingsideaal. Individuen moeten in principe zelf de ultieme beslissing kunnen nemen. Iedere inperking van dit principe maakt de weg vrij voor een oneindig betuttelende bureaucratie. Gecertificeerde psychotherapeuten die dikke stapels formulieren invullen over de graad van voltooiing waarin zich hun patiënten bevinden. Lange vergaderingen over anonieme stervelingen die hun doodswens duizend keer trillend en jankend hebben uitgesproken, of er een psychologisch-technische reden bestaat om hen te helpen bij die zo hevig verlangde zelfdoding.

Alles om de ‘neoliberalistische bezuinigingsoperatie’ te vermijden.

Maar Grunberg haalt dingen door elkaar. Wat aan ons multiculturele beschavingsideaal ten grondslag ligt, daar kan geen twijfel over bestaan, is de geest van de Verlichting. Het zelf denkende, zelf verantwoordelijke, individu. We hebben in een postmoderne, postreligieuze wereld niet meer de luxe van de luiheid om ons voor ons beschavingsideaal te beroepen op een goddelijke autoriteit, zeker niet als je zoals Grunberg vindt dat iedereen wereldburger is en zich vrij over de globus moet kunnen bewegen met zijn religie in de handbagage.

De rede is al wat we hebben. γνῶθι σεαυτόν is de kern van ons beschavingsideaal, en wanneer een individu uit die kennis niet bij vol bewustzijn en in volle glorie de ultieme beslissing kan nemen, is dat een relativistische ondermijning ervan. Camus zegt “Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie.” Als we als goed bedoelende samenleving die vraag voor elkaar willen beantwoorden, offeren we het hart van ons beschavingsideaal op voor een symptoom ervan.

Afbeelding Wikimedia

In debat met Arnon Grunberg werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org

Boekenweek met Palmen

Gisternacht tuurde ik, half verzadigd na een goede episode van Black mirror in bed naar een gemiste uitzending in het kader van de Nederlandse boekenweek, omdat ik mijn gemoed met de milde heimwee wilde bijvullen die wij ballingen soms nodig hebben. Rimpels en piekhaar van mevrouw Palmen kwamen me zo vertrouwd voor dat ik me even heel dichtbij haar waande. Terwijl ik mijmerend over de verloren tijd aan haar lippen hing verkondigde ze dat het “een heel fijn iets” is om zo’n bekend openbaar persoon te zijn. Het klonk allemaal zo bekend, haar personage, onze Hollandse Catherine Millet zonder de porno. Is het omdat alles meer waar, meer geleden en meer geleefd is als het door een blijmoedige lezerschare wordt geregistreerd? Is het de ijdelheid, bij leven reeds te willen bestaan als onsterfelijke, dat wil zeggen als merk? ‘Het schrijven’, betekent dat de ingewikkelde relatie met je publiek, een eenrichtingsdialoog die bestaat uit eindeloze pogingen om ‘het’ te zeggen, wat godzijdank nooit helemaal gezegd kan worden. Hier ben ik, nader tot u, en plein public.

De met verve gesjeesde filosofiestudente en meest ingetogen hysterica van letterenland is uitgegroeid tot de grande dame van de Nederlandse literatuur. Ze sprak warempel wijze woorden uit tijdens het interview met de onnozele reporter Jeroen van Kan (hij zette in de uitzending de criticus Arie Storm dom populistisch weg met de opmerking “Oh je begrijpt Lolita dus je identificeert je met een 37-jarige man die op een 12-jarig meisje valt”). La Palmen zelf begon zelf over hoe mooi en moeilijk het leven is en haar fascinatie voor misfits die vluchten in drank en andere leuke dingen, dus de beroepsversimpelaar hoefde haar weinig bij te sturen om het voor de tv-kijker hapklaar te maken. Maar wat boeit mij die tv-kijker – ze sprak helemaal persoonlijk en speciaal voor mij, toen ze vertelde over Marguerite Duras en Patricia Highsmith. Dat waren pas maniakale schrijfsters die de pen nodig hadden om te overleven. Schrijven was de enige manier waarop deze zwaar beschadigde vrouwen van zichzelf konden houden. En daar gaat het om, het leven is een grote redemption song.

Is dat schrijven? Stotterend de zelfhaat op afstand houden, laveren op het koord dat je steeds hoger boven de kwalijke poel van je emoties moet spannen? Steeds opnieuw en steeds meer dingen zien, of geloven dingen te zien, zodat je vantage point rijst met het modderwater dat je observeert. De afstand veilig stellen, door deze steeds te vergroten. Selbstzerfleischung zodat je alles kunt blijven bekijken vanuit het virtuele perspectief van de niet-betroffene. Ja, het gaat over jou, maar je bent altijd net iets verder, in helderdere en ongenaakbaardere luchten.

Of is dat iets typisch Hollands, een calvinistische schrijfdemon die zich diep in de geest van het polderproza heeft genesteld? Dat het nooit uitstijgt boven de verstikkende dampen van moralisering en psychologisering? Deel ik deze observatie wellicht met het opmerkelijk grote aantal hedendaagse literaten in zelfgekozen ballingschap (Mulisch, Komrij, Meijsing, Grunberg, Nooteboom, Pfeiffer) die allemaal proberen ergens aan te ontkomen en daar schitterend in falen? Het viel me op in het puzzelproza van de getalenteerde Herman Koch, de auteur van het boekenweekgeschenk over een vader-zoon-relatie. In de serieuze Nederlandse roman wordt altijd iets ‘onderzocht’ waar de lezer wat aan moet hebben.

Schrijven moet je gewoon doen en pas wanneer je ermee ophoudt ben je geen schrijver meer.

Ik weet het niet, misschien is dat onzin. De uitzending spoorde me in ieder geval aan om beter mijn best te doen, om weer ruim 2000 woorden per dag te produceren (die zalige illusie dat het productie is!), en zinnen te maken die wild over elkaar heen rollen en elkaar afmatten in een schouwspel van duizend ironisch knipogen. Het merg van het leven leegzuigen en weer uitspugen in bezwerende, magische taal. Je niets en niemand ontziende fantasie afmatten tot het een schim is die aan de einder dreigt te verdwijnen. Het maakt niet uit welke verkitschte metafoor ik kies. Schrijven moet je gewoon doen en pas wanneer je ermee ophoudt ben je geen schrijver meer.

Volgende week over het belang van erkenning en het spel met de roem. Wekt het spektakel eromheen de taal tot leven, of is het veeleer wat stervelingen ertoe motiveert, zichzelf aan de dode letter prijs te geven?

Boekenweek met Palmen werd oorspronkelijk gepubliceerd op komrijm.creativechoice.org